Het onmogelijke doen

 

De vorige blog besloot ik met een stelling in de vorm van een drievoudige ontkenning:

Kunst dient geen politiek doel, genereert geen bruikbare kennis, biedt geen praktisch voordeel.

Het waren woorden die om een vervolg vragen, want wat is er eigenlijk mee gezegd?

Verschillende antwoorden zijn mogelijk. Bijvoorbeeld dit: kunst verdwijnt op het moment dat zij niets anders meer is dan drager van kennis, of medium van een bedoeling.

En dit: kunst houdt op te bestaan zodra zij alleen nog functioneert als pleziermachine, als horeca voor de geest.   

Of, omgekeerd: waar het maken (en ervaren) van kunst begint, daar eindigt iets anders. Men onderbreekt iets, breekt iets af. Zodra men zich aan kunst waagt houdt men op een subject te zijn met verstandige gedachten en nuttige vaardigheden. Men houdt stil, men stopt met produceren en consumeren, men dient nergens meer toe en levert niets meer op – geen geld, geen voordeel, geen informatie, geen data.  

Kunst maken en kunst ervaren vereist vasthouden van aandacht, en dat kost tijd. Tijd die tegenwoordig gevuld is met prikkels, opties, informatiestromen. De aandacht verstrooit zich over berichten, meldingen, vragen om respons, keuzes, steeds gelijke handelingen. In de 24/7 economie is elk moment kostbaar, dag en nacht. Zich langdurig concentreren op stilte, op kunst, is welhaast een belediging, een daad van verzet.

Kunst maken (kunst ervaren) is als slapen: men trekt zich terug en onttrekt zich aan de controle van buitenaf; men maakt zich los van ideeën, doelen, vermogens. Men bevrijdt zich van het sociale, dus van zichzelf; men begeeft zich in een toestand die niet geëxploiteerd kan worden.

In een film van Alexander Kluge is een arbeidster te zien die niets anders doet dan onderdelen aan elkaar solderen, maar van tijd tot tijd maakt ze met haar arm en bovenlijf een vreemde, “vleugelachtige” uithaal. “Ze kan door blijven werken”, zegt Kluge in een interview, ”als ze even een ogenblik als mens bewogen heeft. Dit maakt deel uit van de botsing tussen werk en leven.”

Het idee van kunst als onderbreking, of als toestand vergelijkbaar met slapen en dromen, werd op indringende wijze onder woorden gebracht door een oude filosoof: Arthur Schopenhauer. De mens, schreef hij, wordt opgejaagd door verlangens, door behoeften, door een voortdurend gemis, kortom door de drijvende kracht van de wil. Daar komt geen einde aan: voor ieder bevredigd verlangen komen tien andere in de plaats, elke bevrediging is slechts van tijdelijke aard. We zijn overgeleverd aan een onophoudelijke druk, een stuwing van de wil met zijn eeuwige hoop en vrees, waardoor ons geen rust en geen vrede wordt gegund, geen blijvend geluk.

Maar soms, zegt Schopenhauer dan, door een oorzaak van buitenaf, of door een innerlijke aanleg, gebeurt het dat we onverwacht uit die nooit eindigende stroom worden weggetrokken en de aandacht plotseling niet meer in beslag wordt genomen door slavernij aan de wil. In die toestand van plotseling optredende vrede en esthetische contemplatie is onze subjectiviteit weggevaagd en bevinden we ons buiten de tijd …. dan zijn we in staat de dingen te zien los van hun relatie tot onze wil, belangeloos, als pure voorstellingen. Het is een bevrijding die ons als naar een andere wereld brengt, waar alles wat ons eerst zo sterk bewoog niet meer bestaat, zozeer en zo totaal als de slaap en de droom.

Er is over deze tekst veel te zeggen; met name de laatste zinnen bieden aanknopingspunten die van belang zijn. Ik zal er in de volgende editie van mijn blog verder op in gaan. Maar eerst wil ik bij het voorafgaande nog twee kanttekeningen maken.

De eerste is dat de onderbreking waar ik over schreef – de breuk met het wakende, werkende leven – nooit absoluut is. Zoals slaap altijd ‘poreus’ is en zich mengt met golven van wakende activiteit, zo bestaat er ook geen scherpe grens tussen aandacht en verstrooiing (attention en distraction, de formuleringen heb ik van Jonathan Crary). Wanneer we een film zien, dan kunnen we helemaal in het verhaal opgaan (we kunnen volledig ‘van de wereld af’ zijn) en toch nu en dan ineens omschakelen naar een kritische manier van kijken, waarbij we bijvoorbeeld letten op het gebruik van de camera. We bewegen ons als het ware in twee mentale toestanden tegelijk.

Iets vergelijkbaars, en dat is mijn tweede kanttekening, geldt voor het maken van kunst. Ook deze activiteit is niet mogelijk zonder de onderbreking – zonder aandacht, zonder het hoofd leeg te maken. Een dichter, schreef Plato, is een licht en gevleugeld wezen, pas in staat tot dichten wanneer zijn gezond verstand niet meer in hem is. Maar die lichte toestand, vrij van ideeën, is eveneens poreus: een kunstwerk kan niet tot stand komen buiten de wereld. Het moet in de wereld zijn vorm en zijn plaats krijgen – met andere woorden: de maker moet het gezond verstand zowel verliezen als gebruiken. Met nog andere woorden: kunst maken is het onmogelijke doen.   

 

(wordt vervolgd) 

REACTIES

Reacties worden op prijs gesteld – mail uw bijdrage naar wimkranendonk@xs4all.nl

 

WILT U DEZE GALERIJ BLIJVEN VOLGEN ?

vul dan uw emailadres in en meld u aan –
u krijgt éénmaal per drie maanden bericht.