[notphone] 


Openingstoespraak bij de expositie van Bernadette Beunk en Ton van Kints in Galerie Agnes Raben

Vorden, 16 oktober 2016

Welkom dames en heren bij de opening van deze mooie expositie met werk van Bernadette Beunk en Ton van Kints, twee kunstenaars van wie het werk niet eerder bij elkaar in één tentoonstelling te zien was. Ik zal proberen iets over hun werk te zeggen, hoewel ik me ervan bewust ben dat praten over kunstwerken altijd riskant is. De werken zelf spreken namelijk niet, er komen geen woorden uit. En omgekeerd treffen onze woorden nooit rechtstreeks de kunstwerken, ze gaan er als het ware altijd langs, ze missen bij voorbaat hun doel, het gaat altijd over iets anders. De enige manier waarop we echt iets over een kunstwerk kunnen zeggen, is door te praten over iets anders. …

Eigenlijk kunnen we daarbij maar twee kanten op: de kant van de kunstenaar en de kant van de kijker. Of we spreken in termen van wat aan het werk vooraf ging, hoe de werkwijze was van de maker, wat zijn of haar overwegingen, intenties en gevoeligheden waren,  – of we doen het tegenovergestelde: we spreken in termen van wat het werk bij ons, kijkers, teweeg brengt, waar het ons aan doet denken, welke contexten we zien, wat voor betekenissen.

Laat ik op de eerste manier beginnen.

Het werk van Bernadette Beunk, u hebt het in de uitnodiging al kunnen lezen, begint met waarnemen. Met die aspecten van het waarneembare waarin de wereld als het ware ademt: een bepaalde lichtval, een beweging in de kruin van een boom; de wisselende lijnen en tinten van de zee; de vorm van een plant in het park, de structuur van een brood. Tegenover dat komen en gaan van onvermoede gewaarwordingen staat dan een werkwijze die uiterst gecontroleerd is. Elke tekening wordt opgezet met een plan, een eigen systematiek. Er worden (en dit zijn haar eigen woorden) er worden punten uitgezet, afstanden bepaald, of er wordt een basisvorm gekozen. Allereerst worden dus beslissingen genomen, keuzes gemaakt; wat dan volgt is een lang, langzaam, geconcentreerd werkproces. En pas aan het eind daarvan wordt duidelijk dat ergens onderweg iets verbazingwekkends is gebeurd – de zintuiglijke gewaarwordingen waarmee het allemaal begon, het licht, de wind, de geluiden, ze zijn, ja wat … de kunstenaar schrijft: ze zijn ‘ingedaald’ – ze zijn ingedaald in inkt, ‘gevangen’ in potlood, getemd, verstild, getransformeerd in iets van een totaal andere orde.

Dan Ton van Kints. Als ik de complexiteit ervan buiten beschouwing laat, dan is de werkwijze van Ton van Kints eenvoudig. Meestal zaagt hij uit een min of meer ronde houten plaat een stuk dat ook rond of enigszins ovaal is en dat vervolgens weer op dezelfde plaats terug gelijmd of geniet wordt. Maar voordat hij die uitgezaagde stukken terugzet draait hij ze – met als gevolg dat ze slecht passen en er altijd iets blijft wringen. De eenheid wordt hersteld, maar staat onder spanning. Het ei past niet meer goed in het nest, het eigen nest is een koekoeksnest.

De zaagsnede, voor zover zichtbaar, gedraagt zich als een tekening, en vertoont soms nadrukkelijk de sporen van de kracht die werd uitgeoefend, in de vorm van splinters, rafels, beschadigingen  – hoewel in andere gevallen alles juist is gladgeschaafd en bedekt met een glanzende monochrome verf, wat dan resulteert in een bedrieglijke illusie van ongeschondenheid.

Soms worden al in het begin een paar lijnen over het oppervak geschilderd, die dan meegezaagd en meegedraaid worden, zodat ze tenslotte steeds op de zaagsnede worden gebroken. We zien ze dan op een grillige manier verspringen.

Soms worden ook helemaal aan het eind, dus na al het zagen en samenvoegen, opnieuw een paar lijnen aangebracht, die dan dus niet meer bij de zaagsnede gebroken worden en lijken te negeren wat zich allemaal heeft afgespeeld.

De kunstenaar kan heel lang doorgaan met steeds weer nieuwe ingrepen, en daar ligt voor een deel de complexiteit die ik zojuist noemde. Daarbij houdt hij zich aan vaste spelregels en een tevoren besloten procedé, dat hij net zo lang volgt tot er iets gebeurt dat niet voorzien was en waardoor het werk onverwacht goed is.

Beide kunstenaars volgen dus een consequente werkwijze, die ze ons kunnen uitleggen en die wij aan het werk ook een heel eind kunnen aflezen, een werkwijze met andere woorden die voor ons te volgen is. Maar vroeg of laat gebeurt altijd ook iets dat onnavolgbaar is, wat Paul Klee ooit eens heeft aangeduid als ‘het geheim’, datgene namelijk waardoor het werk tenslotte een kunstwerk wordt. Op dat moment sluit het zich en wordt ook de kunstenaar een buitenstaander, de maker wordt een kijker onder de kijkers. En het is op het niveau van ons, kijkers, dat het kunstwerk ervaringen mogelijk maakt en betekenis krijgt. In termen van de kijker zijn er dan ook andere dingen te zeggen.

De tekeningen van Bernadette Beunk laten zich ervaren als een sensatie. Een sensatie die natuurlijk bij iedereen anders is, maar die zich tegelijkertijd alleen maar kan voordoen bij het zien van deze tekeningen. Ondanks of misschien wel dankzij het feit dat ze met aandacht en geduld gemaakt zijn, en daar veel tijd overheen is gegaan, lijken de tekeningen een onmiddellijk appel te doen op de zintuigen. Bij mij althans roepen ze indrukken op van pure zintuiglijkheid – een schittering in het oog, een fluistering in het oor, een prikkeling op de huid.

Toen ik bij Bernadette op bezoek was in het atelier hoorden wij om ons heen het zachte regelmatige geluid van de regen. Aan de muur hingen grote tekeningen, op sommige daarvan waren fijne parallelle lijntjes te zien die voortdurend van richting veranderden. Het leek bijna een visuele respons op het geluid van de regen: ze klonken als de regen, hadden geen centrum, geen begin en geen eind, ze waren niet dichtbij en niet ver, ruimtelijk waren ze grenzeloos en overal tegelijk.

In recentere tekeningen gebeurt iets anders: de zon breekt door, er opent zich ruimte, er verschijnen dansende lijnen en slingerende stippelsporen die zich uitbreiden tot golvende kleurvelden. Er wervelen wolken van streepjes en kleurpunten die zich verdichten en weer ontbinden, er zweven eilanden, er heerst verwondering.

De werken van Ton van Kints zijn eilanden. Althans, hun wat onregelmatige cirkelvorm houdt alle aandacht naar binnen gericht. Bijna voelbaar is hun samengebalde energie – de spanning waarmee hier bijeen wordt gehouden wat zo onherroepelijk van elkaar is gescheiden. Het zijn weerbarstige beelden, waarvan je je blijft afvragen wat het nu is waar je naar kijkt. Je kunt ze zien als metaforen, daar geven ze alle aanleiding toe. Open metaforen met een spectrum aan mogelijke connotaties. Het werk is beschreven als een metafoor van het leven, dat intact moet blijven ook al is het geschonden. De sporen van beschadiging werden “littekens” genoemd,  “slecht genezen wonden”, alsof  het gaat om levende organismen. Iemand sprak over een visualisatie van de stand van zaken in de cultuur, en iemand anders zag een statement over de kunst. U merkt wel, het werk nodigt uit om er als kijker mee op de loop te gaan, en het blijkt in verschillende richtingen betekenis te kunnen genereren, daarin ligt een belangrijk deel van zijn rijkdom. Ik zal er nog een (misschien wat zwaarmoedige) noot aan toevoegen: voor mij is dit werk een belichaming van het filosofische inzicht dat geen enkel ding identiek is aan zichzelf, dat de mens voor zichzelf een vreemde is, en dat we in een werkelijkheid leven waarin we nooit thuis kunnen komen.

Maar die zwaarwichtigheid wil ik ook gelijk weer wegnemen, en daarvoor heb ik een elegante verdwijntruc achter de hand. Er is namelijk nog iets dat op een niet te onderschatten manier de toon zet bij het maken en het bekijken van kunstwerken: dat zijn andere kunstwerken. Wat deze twee kunstenaars met elkaar gemeen hebben is onder meer het feit dat zij om zo te zeggen al lange tijd onderweg zijn. Beiden beoefenen het vak inmiddels tientallen jaren. Nieuw werk volgt uit eerder werk – bepaalde werken vormen zelfs de basis voor een hele reeks van nieuwe werken. Elke tekening van Bernadette Beunk verwijst naar een andere tekening, is er een vervolg van, een alternatief, een correctie, een omgekeerde, nog niet eerder geëxploreerde mogelijkheid. Ton van Kints ordent en documenteert zijn werken in een soort stambomen met allerlei vertakkingen; elk werk krijgt een titel die precies aangeeft hoe het zich verhoudt tot de andere werken en in welke tak van de familie het thuishoort. Zo verschijnt achter elk werk een ander werk, of een serie werken, werken van andere kunstenaars, hele constellaties van werken, en daar weer achter lacht ons de complete kunstgeschiedenis toe.

 

[/notphone]

[phone]

wim kranendonk

kunsthistoricus . art historian . storico dell’arte

terug

vorige edities blog

wim kranendonk info & contact

Openingstoespraak bij de expositie van Bernadette Beunk en Ton van Kints in Galerie Agnes Raben

Vorden, 16 oktober 2016

Welkom dames en heren bij de opening van deze mooie expositie met werk van Bernadette Beunk en Ton van Kints, twee kunstenaars van wie het werk niet eerder bij elkaar in één tentoonstelling te zien was. Ik zal proberen iets over hun werk te zeggen, hoewel ik me ervan bewust ben dat praten over kunstwerken altijd riskant is. De werken zelf spreken namelijk niet, er komen geen woorden uit. En omgekeerd treffen onze woorden nooit rechtstreeks de kunstwerken, ze gaan er als het ware altijd langs, ze missen bij voorbaat hun doel, het gaat altijd over iets anders. De enige manier waarop we echt iets over een kunstwerk kunnen zeggen, is door te praten over iets anders. …

Eigenlijk kunnen we daarbij maar twee kanten op: de kant van de kunstenaar en de kant van de kijker. Of we spreken in termen van wat aan het werk vooraf ging, hoe de werkwijze was van de maker, wat zijn of haar overwegingen, intenties en gevoeligheden waren,  – of we doen het tegenovergestelde: we spreken in termen van wat het werk bij ons, kijkers, teweeg brengt, waar het ons aan doet denken, welke contexten we zien, wat voor betekenissen.

Laat ik op de eerste manier beginnen.

Het werk van Bernadette Beunk, u hebt het in de uitnodiging al kunnen lezen, begint met waarnemen. Met die aspecten van het waarneembare waarin de wereld als het ware ademt: een bepaalde lichtval, een beweging in de kruin van een boom; de wisselende lijnen en tinten van de zee; de vorm van een plant in het park, de structuur van een brood. Tegenover dat komen en gaan van onvermoede gewaarwordingen staat dan een werkwijze die uiterst gecontroleerd is. Elke tekening wordt opgezet met een plan, een eigen systematiek. Er worden (en dit zijn haar eigen woorden) er worden punten uitgezet, afstanden bepaald, of er wordt een basisvorm gekozen. Allereerst worden dus beslissingen genomen, keuzes gemaakt; wat dan volgt is een lang, langzaam, geconcentreerd werkproces. En pas aan het eind daarvan wordt duidelijk dat ergens onderweg iets verbazingwekkends is gebeurd – de zintuiglijke gewaarwordingen waarmee het allemaal begon, het licht, de wind, de geluiden, ze zijn, ja wat … de kunstenaar schrijft: ze zijn ‘ingedaald’ – ze zijn ingedaald in inkt, ‘gevangen’ in potlood, getemd, verstild, getransformeerd in iets van een totaal andere orde.

Dan Ton van Kints. Als ik de complexiteit ervan buiten beschouwing laat, dan is de werkwijze van Ton van Kints eenvoudig. Meestal zaagt hij uit een min of meer ronde houten plaat een stuk dat ook rond of enigszins ovaal is en dat vervolgens weer op dezelfde plaats terug gelijmd of geniet wordt. Maar voordat hij die uitgezaagde stukken terugzet draait hij ze – met als gevolg dat ze slecht passen en er altijd iets blijft wringen. De eenheid wordt hersteld, maar staat onder spanning. Het ei past niet meer goed in het nest, het eigen nest is een koekoeksnest.

De zaagsnede, voor zover zichtbaar, gedraagt zich als een tekening, en vertoont soms nadrukkelijk de sporen van de kracht die werd uitgeoefend, in de vorm van splinters, rafels, beschadigingen  – hoewel in andere gevallen alles juist is gladgeschaafd en bedekt met een glanzende monochrome verf, wat dan resulteert in een bedrieglijke illusie van ongeschondenheid.

Soms worden al in het begin een paar lijnen over het oppervak geschilderd, die dan meegezaagd en meegedraaid worden, zodat ze tenslotte steeds op de zaagsnede worden gebroken. We zien ze dan op een grillige manier verspringen.

Soms worden ook helemaal aan het eind, dus na al het zagen en samenvoegen, opnieuw een paar lijnen aangebracht, die dan dus niet meer bij de zaagsnede gebroken worden en lijken te negeren wat zich allemaal heeft afgespeeld.

De kunstenaar kan heel lang doorgaan met steeds weer nieuwe ingrepen, en daar ligt voor een deel de complexiteit die ik zojuist noemde. Daarbij houdt hij zich aan vaste spelregels en een tevoren besloten procedé, dat hij net zo lang volgt tot er iets gebeurt dat niet voorzien was en waardoor het werk onverwacht goed is.

Beide kunstenaars volgen dus een consequente werkwijze, die ze ons kunnen uitleggen en die wij aan het werk ook een heel eind kunnen aflezen, een werkwijze met andere woorden die voor ons te volgen is. Maar vroeg of laat gebeurt altijd ook iets dat onnavolgbaar is, wat Paul Klee ooit eens heeft aangeduid als ‘het geheim’, datgene namelijk waardoor het werk tenslotte een kunstwerk wordt. Op dat moment sluit het zich en wordt ook de kunstenaar een buitenstaander, de maker wordt een kijker onder de kijkers. En het is op het niveau van ons, kijkers, dat het kunstwerk ervaringen mogelijk maakt en betekenis krijgt. In termen van de kijker zijn er dan ook andere dingen te zeggen.

De tekeningen van Bernadette Beunk laten zich ervaren als een sensatie. Een sensatie die natuurlijk bij iedereen anders is, maar die zich tegelijkertijd alleen maar kan voordoen bij het zien van deze tekeningen. Ondanks of misschien wel dankzij het feit dat ze met aandacht en geduld gemaakt zijn, en daar veel tijd overheen is gegaan, lijken de tekeningen een onmiddellijk appel te doen op de zintuigen. Bij mij althans roepen ze indrukken op van pure zintuiglijkheid – een schittering in het oog, een fluistering in het oor, een prikkeling op de huid.

Toen ik bij Bernadette op bezoek was in het atelier hoorden wij om ons heen het zachte regelmatige geluid van de regen. Aan de muur hingen grote tekeningen, op sommige daarvan waren fijne parallelle lijntjes te zien die voortdurend van richting veranderden. Het leek bijna een visuele respons op het geluid van de regen: ze klonken als de regen, hadden geen centrum, geen begin en geen eind, ze waren niet dichtbij en niet ver, ruimtelijk waren ze grenzeloos en overal tegelijk.

In recentere tekeningen gebeurt iets anders: de zon breekt door, er opent zich ruimte, er verschijnen dansende lijnen en slingerende stippelsporen die zich uitbreiden tot golvende kleurvelden. Er wervelen wolken van streepjes en kleurpunten die zich verdichten en weer ontbinden, er zweven eilanden, er heerst verwondering.

De werken van Ton van Kints zijn eilanden. Althans, hun wat onregelmatige cirkelvorm houdt alle aandacht naar binnen gericht. Bijna voelbaar is hun samengebalde energie – de spanning waarmee hier bijeen wordt gehouden wat zo onherroepelijk van elkaar is gescheiden. Het zijn weerbarstige beelden, waarvan je je blijft afvragen wat het nu is waar je naar kijkt. Je kunt ze zien als metaforen, daar geven ze alle aanleiding toe. Open metaforen met een spectrum aan mogelijke connotaties. Het werk is beschreven als een metafoor van het leven, dat intact moet blijven ook al is het geschonden. De sporen van beschadiging werden “littekens” genoemd,  “slecht genezen wonden”, alsof  het gaat om levende organismen. Iemand sprak over een visualisatie van de stand van zaken in de cultuur, en iemand anders zag een statement over de kunst. U merkt wel, het werk nodigt uit om er als kijker mee op de loop te gaan, en het blijkt in verschillende richtingen betekenis te kunnen genereren, daarin ligt een belangrijk deel van zijn rijkdom. Ik zal er nog een (misschien wat zwaarmoedige) noot aan toevoegen: voor mij is dit werk een belichaming van het filosofische inzicht dat geen enkel ding identiek is aan zichzelf, dat de mens voor zichzelf een vreemde is, en dat we in een werkelijkheid leven waarin we nooit thuis kunnen komen.

Maar die zwaarwichtigheid wil ik ook gelijk weer wegnemen, en daarvoor heb ik een elegante verdwijntruc achter de hand. Er is namelijk nog iets dat op een niet te onderschatten manier de toon zet bij het maken en het bekijken van kunstwerken: dat zijn andere kunstwerken. Wat deze twee kunstenaars met elkaar gemeen hebben is onder meer het feit dat zij om zo te zeggen al lange tijd onderweg zijn. Beiden beoefenen het vak inmiddels tientallen jaren. Nieuw werk volgt uit eerder werk – bepaalde werken vormen zelfs de basis voor een hele reeks van nieuwe werken. Elke tekening van Bernadette Beunk verwijst naar een andere tekening, is er een vervolg van, een alternatief, een correctie, een omgekeerde, nog niet eerder geëxploreerde mogelijkheid. Ton van Kints ordent en documenteert zijn werken in een soort stambomen met allerlei vertakkingen; elk werk krijgt een titel die precies aangeeft hoe het zich verhoudt tot de andere werken en in welke tak van de familie het thuishoort. Zo verschijnt achter elk werk een ander werk, of een serie werken, werken van andere kunstenaars, hele constellaties van werken, en daar weer achter lacht ons de complete kunstgeschiedenis toe.

[/phone]