Biënnale van Venetië: nieuw internationalisme en de wending naar rechts

Elke twee jaar verandert Venetië met honderdduizenden bezoekers zes maanden lang in een groot toeristisch cultureel festival: de Biënnale! Een event met zo grote publieke belangstelling en zoveel cultureel prestige, daar is de politiek nooit ver van verwijderd.

De Biënnale bestaat, zoals bekend, uit twee onderdelen: de centrale tentoonstelling van internationale kunst en de nationale inzendingen van de deelnemende landen. Die landen zijn autonoom: hun presentaties zijn in handen van (en worden betaald door) publieke instellingen aangewezen door de ministeries van cultuur in die landen.

De landenpresentaties vormen het oudste deel van de Biënnale. Aanvankelijk werd de tweejaarlijkse manifestatie georganiseerd als een competitieve tentoonstelling naar het voorbeeld van de grote wereldtentoonstellingen, waar landen met rivaliserende economieën elk de superioriteit van de eigen producten probeerden te tonen. Ook nu is de Biënnale nog altijd grotendeels gestructureerd rond een presentatie van nationale staten, die in nationale paviljoens hun cultuurpolitiek voortzetten. Het is een structuur van competitie, van een wedstrijd met prestigieuze prijzen voor de beste inzending, het beste paviljoen, de beste kunstenaar. Hier vertegenwoordigen kunstenaars niet zichzelf, maar hun land. Zoals sportlieden tijdens de Olympische spelen strijden voor de eer van hun natie.  

Maar naast de nationale inzendingen werden vanaf het begin ook algemene, centrale tentoonstellingen georganiseerd. Eerst betrof het vooral retrospectieven van Italiaanse (en later ook steeds vaker buitenlandse) kunstenaars, maar tegen het einde van de twintigste eeuw veranderde dit en kregen thematische exposities van internationale kunst een steeds groter gewicht. Zij werden geleidelijk het gezichtsbepalende deel van de Biënnale.

Deze ontwikkeling viel samen met de jaren van economische globalisering en de wereldwijde triomf van het multinationale kapitalisme. De wereld was plotseling grenzeloos geworden en in Venetië leek iedere editie van de Biënnale een nieuw perspectief te openen, een onverwachte blik op wat voorheen werd gezien als vreemd en niet-westers. Tegelijk kwam de grote mondiale ongelijkheid in beeld en werd de heersende culturele canon ter discussie gesteld. De Biënnale werd relevant en inspirerend.

Het begon in 1995 met de jubileumtentoonstelling ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de Biënnale. Voor zijn omvattende terugblik nam curator Jean Clair tot ieders verrassing niet de opeenvolgende avant-gardes als uitgangspunt, die tot dan toe altijd de vaste canon vormden van de moderne kunstgeschiedenis, maar de verbeelding van het menselijk lichaam – een keuze die, zo schreef hij, voor de hand lag waar het erom ging te reflecteren op een eeuw die geobsedeerd was door seksualiteit, ziekte en dood.

De canon werd nog verder opengebroken tijdens de Biënnale van 2013, toen Massimiliano Gioni een ‘encyclopedische’ expositie samenstelde waarin de focus volledig lag op zogenoemde outsider art, werken van onbekenden die tot dan toe buiten het zicht van de grote kunstexposities waren gebleven. 

Een memorabel hoogtepunt was de centrale tentoonstelling tijdens de Biënnale van 2015, getiteld All the World’s Futures en samengesteld door een van de belangrijkste curatoren van dat moment: Okwui Enwezor. Als gevolg van migratie, dekolonisatie en globalisering, betoogde Enwezor, is de hedendaagse kunst heterogeen geworden. Haar productie, distributie en receptie voltrekt zich simultaan op talloze plaatsen buiten de oude centra van Europa en Noord-Amerika. Er is, met andere woorden, een meervoudige realiteit ontstaan waarin niemand het laatste woord heeft. Voor het eerst nam een groot aantal kunstenaars deel uit Azië, Afrika en het Midden-Oosten.

Van dat geloof in mondiale meerstemmigheid is nu, tien jaar later, weinig over. In de realiteit buiten de Biënnale maakte de globalisering plaats voor rivaliserende machtsblokken, de politiek van open grenzen werd ingeruild voor protectionisme, de liberale democratie verloor terrein aan opkomend neofascisme. Overal werden weer muren opgetrokken en ook de Biënnale nam een andere wending.

De afgelopen zomer werd dit pijnlijk duidelijk tijdens de editie die werd samengesteld door Adriano Pedrosa. Hoewel de Braziliaan zich presenteerde als de eerste curator in de geschiedenis van de Biënnale die afkomstig was uit het mondiale zuiden, vertolkte hij de inmiddels dominante noordamerikaanse ideologie waarin kunst enkel nog wordt opgevat als representatie. De selectie van deelnemende kunstenaars voltrok zich op basis van een hun toegedichte identiteit, waarbij werd uitgegaan van een beperkt aantal stereotiepe sociaal-culturele profielen (inheems, marginaal, queer) die de expositie bij voorbaat een aura van urgentie leken te moeten geven.

Het resultaat bestond uit een enorme diversiteit aan werken waarvan de context en specifieke betekenissen grotendeels onduidelijk bleven. Onderlinge verschillen leken van geen belang in deze mega-show waar het getoonde omwille van het eenduidige statement van de curator schaamteloos werd geïnstrumentaliseerd.   

Intussen kreeg de Biënnale een nieuwe directeur: Pietrangelo Buttafuoco. Hij werd per decreet benoemd door de minister van cultuur in het extreem rechtse kabinet Meloni, dat ook een stempel probeert te drukken op andere aspecten van het culturele leven in Italië.  

De Biënnale-directeur is voorzitter van een bestuur dat verder bestaat uit de burgemeester van Venetië en vertegenwoordigers van de regionale overheid en het Italiaanse ministerie van cultuur. Op dit moment gaat het zonder uitzondering om personages van uiterst rechtse signatuur. Buttafuoco, die eerder leiding gaf aan de neofascistische jeugdbeweging, staat bekend om zijn afkeer van een ‘links establishment’ dat de kunstwereld zou domineren. In zijn functie als directeur van de Biënnale heeft hij de macht om de curatoren aan te wijzen die voor de komende exposities de thema’s zullen bepalen.

Tot veler opluchting is zijn keuze voor de eerstvolgende editie gevallen op Koyo Kouoh, een alom gewaardeerde internationaal opererende curator. Sinds 2019 is zij directeur van het grote Zeitz Museum of Contemporary Art Africa in Kaapstad.

Met de aanstelling van Kouoh kiest Buttafuoco vooralsnog voor continuïteit. Verwonderlijk is dat niet, want er staat een kapitaal aan internationaal cultureel prestige op het spel. En de honderdduizenden in kunst geïnteresseerde Biënnale-bezoekers vertegenwoordigen een economisch belang dat ook door de huidige radicaal rechtse machthebbers niet genegeerd kan worden.

WILT U DEZE GALERIJ BLIJVEN VOLGEN ?

vul dan uw emailadres in en meld u aan –
u krijgt éénmaal per drie maanden bericht.

vorige edities blog

online galerij

startpagina (info & contact)

Biënnale van Venetië: nieuw internationalisme en de wending naar rechts

Elke twee jaar verandert Venetië met honderdduizenden bezoekers zes maanden lang in een groot toeristisch cultureel festival: de Biënnale! Een event met zo grote publieke belangstelling en zoveel cultureel prestige, daar is de politiek nooit ver van verwijderd.

De Biënnale bestaat, zoals bekend, uit twee onderdelen: de centrale tentoonstelling van internationale kunst en de nationale inzendingen van de deelnemende landen. Die landen zijn autonoom: hun presentaties zijn in handen van (en worden betaald door) publieke instellingen aangewezen door de ministeries van cultuur in die landen.

De landenpresentaties vormen het oudste deel van de Biënnale. Aanvankelijk werd de tweejaarlijkse manifestatie georganiseerd als een competitieve tentoonstelling naar het voorbeeld van de grote wereldtentoonstellingen, waar landen met rivaliserende economieën elk de superioriteit van de eigen producten probeerden te tonen. Ook nu is de Biënnale nog altijd grotendeels gestructureerd rond een presentatie van nationale staten, die in nationale paviljoens hun cultuurpolitiek voortzetten. Het is een structuur van competitie, van een wedstrijd met prestigieuze prijzen voor de beste inzending, het beste paviljoen, de beste kunstenaar. Hier vertegenwoordigen kunstenaars niet zichzelf, maar hun land. Zoals sportlieden tijdens de Olympische spelen strijden voor de eer van hun natie.  

Maar naast de nationale inzendingen werden vanaf het begin ook algemene, centrale tentoonstellingen georganiseerd. Eerst betrof het vooral retrospectieven van Italiaanse (en later ook steeds vaker buitenlandse) kunstenaars, maar tegen het einde van de twintigste eeuw veranderde dit en kregen thematische exposities van internationale kunst een steeds groter gewicht. Zij werden geleidelijk het gezichtsbepalende deel van de Biënnale.

Deze ontwikkeling viel samen met de jaren van economische globalisering en de wereldwijde triomf van het multinationale kapitalisme. De wereld was plotseling grenzeloos geworden en in Venetië leek iedere editie van de Biënnale een nieuw perspectief te openen, een onverwachte blik op wat voorheen werd gezien als vreemd en niet-westers. Tegelijk kwam de grote mondiale ongelijkheid in beeld en werd de heersende culturele canon ter discussie gesteld. De Biënnale werd relevant en inspirerend.

Het begon in 1995 met de jubileumtentoonstelling ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de Biënnale. Voor zijn omvattende terugblik nam curator Jean Clair tot ieders verrassing niet de opeenvolgende avant-gardes als uitgangspunt, die tot dan toe altijd de vaste canon vormden van de moderne kunstgeschiedenis, maar de verbeelding van het menselijk lichaam – een keuze die, zo schreef hij, voor de hand lag waar het erom ging te reflecteren op een eeuw die geobsedeerd was door seksualiteit, ziekte en dood.

De canon werd nog verder opengebroken tijdens de Biënnale van 2013, toen Massimiliano Gioni een ‘encyclopedische’ expositie samenstelde waarin de focus volledig lag op zogenoemde outsider art, werken van onbekenden die tot dan toe buiten het zicht van de grote kunstexposities waren gebleven. 

Een memorabel hoogtepunt was de centrale tentoonstelling tijdens de Biënnale van 2015, getiteld All the World’s Futures en samengesteld door een van de belangrijkste curatoren van dat moment: Okwui Enwezor. Als gevolg van migratie, dekolonisatie en globalisering, betoogde Enwezor, is de hedendaagse kunst heterogeen geworden. Haar productie, distributie en receptie voltrekt zich simultaan op talloze plaatsen buiten de oude centra van Europa en Noord-Amerika. Er is, met andere woorden, een meervoudige realiteit ontstaan waarin niemand het laatste woord heeft. Voor het eerst nam een groot aantal kunstenaars deel uit Azië, Afrika en het Midden-Oosten.

Van dat geloof in mondiale meerstemmigheid is nu, tien jaar later, weinig over. In de realiteit buiten de Biënnale maakte de globalisering plaats voor rivaliserende machtsblokken, de politiek van open grenzen werd ingeruild voor protectionisme, de liberale democratie verloor terrein aan opkomend neofascisme. Overal werden weer muren opgetrokken en ook de Biënnale nam een andere wending.

De afgelopen zomer werd dit pijnlijk duidelijk tijdens de editie die werd samengesteld door Adriano Pedrosa. Hoewel de Braziliaan zich presenteerde als de eerste curator in de geschiedenis van de Biënnale die afkomstig was uit het mondiale zuiden, vertolkte hij de inmiddels dominante noordamerikaanse ideologie waarin kunst enkel nog wordt opgevat als representatie. De selectie van deelnemende kunstenaars voltrok zich op basis van een hun toegedichte identiteit, waarbij werd uitgegaan van een beperkt aantal stereotiepe sociaal-culturele profielen (inheems, marginaal, queer) die de expositie bij voorbaat een aura van urgentie leken te moeten geven.

Het resultaat bestond uit een enorme diversiteit aan werken waarvan de context en specifieke betekenissen grotendeels onduidelijk bleven. Onderlinge verschillen leken van geen belang in deze mega-show waar het getoonde omwille van het eenduidige statement van de curator schaamteloos werd geïnstrumentaliseerd.   

Intussen kreeg de Biënnale een nieuwe directeur: Pietrangelo Buttafuoco. Hij werd per decreet benoemd door de minister van cultuur in het extreem rechtse kabinet Meloni, dat ook een stempel probeert te drukken op andere aspecten van het culturele leven in Italië.  

De Biënnale-directeur is voorzitter van een bestuur dat verder bestaat uit de burgemeester van Venetië en vertegenwoordigers van de regionale overheid en het Italiaanse ministerie van cultuur. Op dit moment gaat het zonder uitzondering om personages van uiterst rechtse signatuur. Buttafuoco, die eerder leiding gaf aan de neofascistische jeugdbeweging, staat bekend om zijn afkeer van een ‘links establishment’ dat de kunstwereld zou domineren. In zijn functie als directeur van de Biënnale heeft hij de macht om de curatoren aan te wijzen die voor de komende exposities de thema’s zullen bepalen.

Tot veler opluchting is zijn keuze voor de eerstvolgende editie gevallen op Koyo Kouoh, een alom gewaardeerde internationaal opererende curator. Sinds 2019 is zij directeur van het grote Zeitz Museum of Contemporary Art Africa in Kaapstad.

Met de aanstelling van Kouoh kiest Buttafuoco vooralsnog voor continuïteit. Verwonderlijk is dat niet, want er staat een kapitaal aan internationaal cultureel prestige op het spel. En de honderdduizenden in kunst geïnteresseerde Biënnale-bezoekers vertegenwoordigen een economisch belang dat ook door de huidige radicaal rechtse machthebbers niet genegeerd kan worden.

WILT U DEZE GALERIJ BLIJVEN VOLGEN ?

vul dan uw emailadres in en meld u aan –
u krijgt éénmaal per drie maanden bericht.