Creatieve kracht

In de Chinese oudheid wist men dat sublieme schilderkunst niet voortkomt uit geleerdheid of technisch kunnen, maar uit de werking van wat men aanduidde als ch’i – een complex begrip dat onder meer verwijst naar de alomvattende levenskracht van de natuur. Die levenskracht zou zich manifesteren in elke geschilderde lijn, in elke volmaakte penseelstreek.

Later in de geschiedenis werd de creatieve kracht waarvan de hele natuur is doordrongen Tao genoemd. Door meditatie en concentratie op Tao bracht de schilder zich in een toestand van mentale leegte: alleen zo kon de geheimzinnige kracht zich plotseling, als in een flits, meester maken van zijn hand.  

Kunst wordt pas mogelijk wanneer de maker het denken uitschakelt en zich in bezit laat nemen door een ongekende kracht: het is een oude wijsheid, in het westen voor het eerst geformuleerd door Plato. Zolang een mens in het bezit is van zijn verstand, schreef de filosoof, is hij niet in staat tot dichten. De dichter wordt namelijk gegrepen door een kracht (dunamis) die hem het verstand ontneemt.

Plato noemde die kracht goddelijk; wie erdoor wordt geraakt komt in een staat van mania, wat kan worden vertaald als waanzin of vervoering – een ‘buiten zichzelf’ zijn. Bijna tweeduizend jaar later zou dit begrip (nu furor genoemd) terugkeren in de neoplatoonse filosofie van Marsilio Ficino, wiens denken van groot belang was voor Michelangelo.

Het idee van vervoering (een buiten zichzelf raken, van het verstand beroofd worden) wordt in de moderne tijd opnieuw geformuleerd door Friedrich Nietzsche. Wat bij Plato mania heette, en bij Ficino furor, noemt Nietzsche ‘roes’ (Rausch). De roes, schrijft hij, is een toestand van lust en geeft een gevoel van volheid en kracht – voor de kunst is de roes een voorwaarde (Voraussetzung).

Er zijn echter twee belangrijke verschillen tussen wat Plato leerde en de interpretatie daarvan door Nietzsche. Ten eerste wordt de kracht die bezit neemt van de kunstenaar door Nietzsche niet meer opgevat als goddelijk (als iets dat van buiten komt) maar als menselijk, als een kracht van de kunstenaar zelf. Het gaat dan om een kracht die voor-subjectief is, die men al heeft voordat men een volwassen subject is. 

Ook over de vervoering of roes denkt Nietzsche anders dan zijn historische voorgangers. De roes is weliswaar een voorwaarde voor kunst, maar een kunstenaar verkeert niet altijd (en nooit alleen maar) in een roes: voor het tot stand brengen van een werk is helderheid nodig. Kunst kan slechts ontstaan waar roes en bewustzijn zowel samen, als tegen elkaar in werken.    

Nietzsche’s woorden (met name zijn notie van een driftmatige, voor-subjectieve, scheppende kracht) kregen in de tweede helft van de twintigste eeuw een gloedvol vervolg in teksten van Franse filosofen. Lyotard betoogde dat in de kunst het denken ondergeschikt wordt aan een kracht werkzaam in (en ouder dan) het menselijk bewustzijn (esprit). En Deleuze associeerde de gewaarwordingen van de kunstenaar met een chaotische zone in de hersenen, de zone van het on-gedachte, ofwel een cerebraal gebied dat aan het denken voorafgaat en waarin men als het ware moet afdalen om nieuwe, ‘vitale’ ideeën te vinden.

Over dit oude, in steeds andere bewoordingen terugkerende inzicht verscheen enige jaren geleden tenslotte onder de titel Die Kraft der Kunst een glasheldere uiteenzetting van de Duitse filosoof Christoph Menke. Daarin onderscheidt hij (in navolging van Nietzsche) twee manieren om artistieke activiteit te begrijpen, samengevat in de complementaire begrippen kracht en vermogen.

Een vermogen hebben, schrijft Menke, betekent iets te kunnen – met andere woorden door oefening en door leren in staat zijn een bepaalde handeling te laten slagen. Vermogens maken ons tot subjecten die met succes aan sociale praktijken deelnemen.   

Kracht heeft men al voordat men iets geleerd heeft, dus voordat men gevormd is als subject. Krachten hebben geen doel en kunnen niet worden gekend of gestuurd. Zij werken uit zichzelf, zonder dat men zich ervan bewust is. Zij doen wat het doelbewuste handelen niet kan doen. 

In de kunst nu gaat kracht over in vermogen en gaat vermogen over in kracht. Kunst is de tijd en de plaats van terugkeer van vermogen naar kracht, en van het voortkomen van vermogen uit kracht. Kunst, aldus Menke, is een paradoxaal kunnen – is kunnen niet te kunnen.

(wordt vervolgd) 

REACTIES

Reacties worden op prijs gesteld – mail uw bijdrage naar wimkranendonk@xs4all.nl

 

WILT U DEZE GALERIJ BLIJVEN VOLGEN ?

vul dan uw emailadres in en meld u aan –
u krijgt éénmaal per drie maanden bericht.