vorige edities blog
startpagina (info & contact)
online galerij
De economische paradox van de kunst
Er is de laatste tijd iets merkwaardigs aan de hand met het kapitalisme: het is artistiek geworden. Om te kunnen overleven op de mondiale markten hebben grote merken en industrieën behoefte gekregen aan een concurrentie-strategie die niet langer gericht is op de productie van goederen, maar op het verkopen van emoties, ervaringen, beelden, stijlen, verhalen en identiteiten. Daartoe zijn werknemers nodig met een onorthodoxe manier van denken en opereren; wereldwijd zijn ondernemers dan ook op zoek naar de vaardigheden die worden toegeschreven aan kunstenaars. Kunstenaarschap is het model geworden van een economische ideologie: die van innovatie, creativiteit en artistiek experiment.
Op politiek niveau heeft deze ideologie zich vertaald in het bevorderen van wat nu de “creatieve industrie” wordt genoemd. Onder die nogal vage noemer rekent men meestal architectuur, mode, gaming, design, media, entertainment en de kunsten. In Nederland vormt deze heterogene bedrijfsgroep sinds enige jaren zelfs een officiële “topsector”, waarvan wordt verwacht dat de creativiteit die men er aan toedicht op mysterieuze wijze zal overslaan naar de rest van de economie.
De functie van kunst als onderdeel van de creatieve industrie is dus het aanjagen van economische groei. Het aandeel van kunstenaars in die industrie is echter buitengewoon klein. Er doet zich dan ook een merkwaardige paradox voor: kunst levert een cruciaal model voor de economie, maar blijft zelf economisch marginaal. Die marginale positie is noodzakelijk, want alleen aan de randen van de economie is het mogelijk kunst te maken.
Het werk van kunstenaars laat zich niet vangen in economische termen. Het genereert ervaringen, verhalen, beelden en emoties die beschikbaar zijn voor iedereen, die ‘common land’ zijn. Het ‘gebruik’ van kunst beperkt zich dus niet tot een koper of eigenaar, en de productie van kunst kan nooit iets anders zijn dan overproductie, want er is altijd te veel kunst – oneindig veel meer dan een mens aankan.
Ondanks dat teveel is ook steeds nieuwe kunst nodig, omdat er geen grens is aan wat wij kunnen zien, zeggen, denken, doen en voelen. Er kan dan ook geen sprake zijn van marktwerking, want het ‘mechanisme’ van vraag en aanbod heeft hier geen vat op. Een kunstwerk belichaamt geen aanbod waar een vraag naar is, maar biedt iets dat ongekend is.
In de periode direct na de financiële crisis gebeurde wel iets anders: kunst werd gezien als een nieuwe categorie van zeer tastbare financiële activa die wellicht bescherming konden bieden tegen alle waardeschommelingen en geopolitieke onzekerheid. Eenmaal aangeschaft werden waardevolle werken bij voorkeur belastingvrij opgeslagen in een groeiend aantal zogenoemde vrijhavens, en daarmee volledig onttrokken aan zowel de markt als het circuit van publieke tentoonstellingen.
Zo veranderden kunstwerken in geprivatiseerde culturele assets, ofwel dragers van (zo veronderstelde men althans) stabiele kapitaalwaarden. Het is echter slechts een fractie van de hedendaagse kunst die zo als voer dient voor de grote financiële machinerie. Alle overige kunst is voor diezelfde machinerie waardeloos en onverteerbaar.
Economisch gezien is er dus een teveel aan kunstenaars, een overaanbod, iets dat er normaal gesproken toe zou moeten leiden dat steeds minder mensen voor het beroep gaan kiezen. Dat gebeurt echter niet: tegen de economische logica in blijken er steeds weer nieuwe generaties kunstenaars aan te treden.
Laat er geen twijfel over bestaan: kunstenaars werken. Maar in hun werk bestaat geen evenredige relatie tussen tijdsinvestering (ofwel geleverde arbeid) en resultaat. Niet zelden kiezen zij voor een werkwijze die tijdrovend is en vanuit economisch gezichtspunt inefficiënt. En wat hun werk dan uiteindelijk tot kunst maakt hangt niet zozeer af van de tijd of inspanning die het maken ervan kost, als wel van iets onvoorspelbaars dat niet doelbewust werd nagestreefd. De wijze waarop een kunstwerk tot stand komt kan dan ook nooit worden herhaald, kan niet worden opgenomen in een productieproces, kan dus niet gehoorzamen aan economische wetten, of beantwoorden aan politieke eisen.
Gezien vanuit een politiek-economisch perspectief is het kunstenaarschap dus irrelevant en onmisbaar tegelijk. Met die paradox hebben alle kunstenaars te maken zodra zij hun werk of hun vaardigheden willen verkopen.
WILT U DEZE GALERIJ BLIJVEN VOLGEN ?
vul dan uw emailadres in en meld u aan –
u krijgt éénmaal per drie maanden bericht.
vorige edities blog
online galerij
startpagina (info & contact)
De economische paradox van de kunst
Er is de laatste tijd iets merkwaardigs aan de hand met het kapitalisme: het is artistiek geworden. Om te kunnen overleven op de mondiale markten hebben grote merken en industrieën behoefte gekregen aan een concurrentie-strategie die niet langer gericht is op de productie van goederen, maar op het verkopen van emoties, ervaringen, beelden, stijlen, verhalen en identiteiten. Daartoe zijn werknemers nodig met een onorthodoxe manier van denken en opereren; wereldwijd zijn ondernemers dan ook op zoek naar de vaardigheden die worden toegeschreven aan kunstenaars. Kunstenaarschap is het model geworden van een economische ideologie: die van innovatie, creativiteit en artistiek experiment.
Op politiek niveau heeft deze ideologie zich vertaald in het bevorderen van wat nu de “creatieve industrie” wordt genoemd. Onder die nogal vage noemer rekent men meestal architectuur, mode, gaming, design, media, entertainment en de kunsten. In Nederland vormt deze heterogene bedrijfsgroep sinds enige jaren zelfs een officiële “topsector”, waarvan wordt verwacht dat de creativiteit die men er aan toedicht op mysterieuze wijze zal overslaan naar de rest van de economie.
De functie van kunst als onderdeel van de creatieve industrie is dus het aanjagen van economische groei. Het aandeel van kunstenaars in die industrie is echter buitengewoon klein. Er doet zich dan ook een merkwaardige paradox voor: kunst levert een cruciaal model voor de economie, maar blijft zelf economisch marginaal. Die marginale positie is noodzakelijk, want alleen aan de randen van de economie is het mogelijk kunst te maken.
Het werk van kunstenaars laat zich niet vangen in economische termen. Het genereert ervaringen, verhalen, beelden en emoties die beschikbaar zijn voor iedereen, die ‘common land’ zijn. Het ‘gebruik’ van kunst beperkt zich dus niet tot een koper of eigenaar, en de productie van kunst kan nooit iets anders zijn dan overproductie, want er is altijd te veel kunst – oneindig veel meer dan een mens aankan.
Ondanks dat teveel is ook steeds nieuwe kunst nodig, omdat er geen grens is aan wat wij kunnen zien, zeggen, denken, doen en voelen. Er kan dan ook geen sprake zijn van marktwerking, want het ‘mechanisme’ van vraag en aanbod heeft hier geen vat op. Een kunstwerk belichaamt geen aanbod waar een vraag naar is, maar biedt iets dat ongekend is.
In de periode direct na de financiële crisis gebeurde wel iets anders: kunst werd gezien als een nieuwe categorie van zeer tastbare financiële activa die wellicht bescherming konden bieden tegen alle waardeschommelingen en geopolitieke onzekerheid. Eenmaal aangeschaft werden waardevolle werken bij voorkeur belastingvrij opgeslagen in een groeiend aantal zogenoemde vrijhavens, en daarmee volledig onttrokken aan zowel de markt als het circuit van publieke tentoonstellingen.
Zo veranderden kunstwerken in geprivatiseerde culturele assets, ofwel dragers van (zo veronderstelde men althans) stabiele kapitaalwaarden. Het is echter slechts een fractie van de hedendaagse kunst die zo als voer dient voor de grote financiële machinerie. Alle overige kunst is voor diezelfde machinerie waardeloos en onverteerbaar.
Economisch gezien is er dus een teveel aan kunstenaars, een overaanbod, iets dat er normaal gesproken toe zou moeten leiden dat steeds minder mensen voor het beroep gaan kiezen. Dat gebeurt echter niet: tegen de economische logica in blijken er steeds weer nieuwe generaties kunstenaars aan te treden.
Laat er geen twijfel over bestaan: kunstenaars werken. Maar in hun werk bestaat geen evenredige relatie tussen tijdsinvestering (ofwel geleverde arbeid) en resultaat. Niet zelden kiezen zij voor een werkwijze die tijdrovend is en vanuit economisch gezichtspunt inefficiënt. En wat hun werk dan uiteindelijk tot kunst maakt hangt niet zozeer af van de tijd of inspanning die het maken ervan kost, als wel van iets onvoorspelbaars dat niet doelbewust werd nagestreefd. De wijze waarop een kunstwerk tot stand komt kan dan ook nooit worden herhaald, kan niet worden opgenomen in een productieproces, kan dus niet gehoorzamen aan economische wetten, of beantwoorden aan politieke eisen.
Gezien vanuit een politiek-economisch perspectief is het kunstenaarschap dus irrelevant en onmisbaar tegelijk. Met die paradox hebben alle kunstenaars te maken zodra zij hun werk of hun vaardigheden willen verkopen.
WILT U DEZE GALERIJ BLIJVEN VOLGEN ?
vul dan uw emailadres in en meld u aan –
u krijgt éénmaal per drie maanden bericht.
vorige edities blog
startpagina (info & contact)
online galerij
De economische paradox van de kunst
Er is de laatste tijd iets merkwaardigs aan de hand met het kapitalisme: het is artistiek geworden. Om te kunnen overleven op de mondiale markten hebben grote merken en industrieën behoefte gekregen aan een concurrentie-strategie die niet langer gericht is op de productie van goederen, maar op het verkopen van emoties, ervaringen, beelden, stijlen, verhalen en identiteiten. Daartoe zijn werknemers nodig met een onorthodoxe manier van denken en opereren; wereldwijd zijn ondernemers dan ook op zoek naar de vaardigheden die worden toegeschreven aan kunstenaars. Kunstenaarschap is het model geworden van een economische ideologie: die van innovatie, creativiteit en artistiek experiment.
Op politiek niveau heeft deze ideologie zich vertaald in het bevorderen van wat nu de “creatieve industrie” wordt genoemd. Onder die nogal vage noemer rekent men meestal architectuur, mode, gaming, design, media, entertainment en de kunsten. In Nederland vormt deze heterogene bedrijfsgroep sinds enige jaren zelfs een officiële “topsector”, waarvan wordt verwacht dat de creativiteit die men er aan toedicht op mysterieuze wijze zal overslaan naar de rest van de economie.
De functie van kunst als onderdeel van de creatieve industrie is dus het aanjagen van economische groei. Het aandeel van kunstenaars in die industrie is echter buitengewoon klein. Er doet zich dan ook een merkwaardige paradox voor: kunst levert een cruciaal model voor de economie, maar blijft zelf economisch marginaal. Die marginale positie is noodzakelijk, want alleen aan de randen van de economie is het mogelijk kunst te maken.
Het werk van kunstenaars laat zich niet vangen in economische termen. Het genereert ervaringen, verhalen, beelden en emoties die beschikbaar zijn voor iedereen, die ‘common land’ zijn. Het ‘gebruik’ van kunst beperkt zich dus niet tot een koper of eigenaar, en de productie van kunst kan nooit iets anders zijn dan overproductie, want er is altijd te veel kunst – oneindig veel meer dan een mens aankan.
Ondanks dat teveel is ook steeds nieuwe kunst nodig, omdat er geen grens is aan wat wij kunnen zien, zeggen, denken, doen en voelen. Er kan dan ook geen sprake zijn van marktwerking, want het ‘mechanisme’ van vraag en aanbod heeft hier geen vat op. Een kunstwerk belichaamt geen aanbod waar een vraag naar is, maar biedt iets dat ongekend is.
In de periode direct na de financiële crisis gebeurde wel iets anders: kunst werd gezien als een nieuwe categorie van zeer tastbare financiële activa die wellicht bescherming konden bieden tegen alle waardeschommelingen en geopolitieke onzekerheid. Eenmaal aangeschaft werden waardevolle werken bij voorkeur belastingvrij opgeslagen in een groeiend aantal zogenoemde vrijhavens, en daarmee volledig onttrokken aan zowel de markt als het circuit van publieke tentoonstellingen.
Zo veranderden kunstwerken in geprivatiseerde culturele assets, ofwel dragers van (zo veronderstelde men althans) stabiele kapitaalwaarden. Het is echter slechts een fractie van de hedendaagse kunst die zo als voer dient voor de grote financiële machinerie. Alle overige kunst is voor diezelfde machinerie waardeloos en onverteerbaar.
Economisch gezien is er dus een teveel aan kunstenaars, een overaanbod, iets dat er normaal gesproken toe zou moeten leiden dat steeds minder mensen voor het beroep gaan kiezen. Dat gebeurt echter niet: tegen de economische logica in blijken er steeds weer nieuwe generaties kunstenaars aan te treden.
Laat er geen twijfel over bestaan: kunstenaars werken. Maar in hun werk bestaat geen evenredige relatie tussen tijdsinvestering (ofwel geleverde arbeid) en resultaat. Niet zelden kiezen zij voor een werkwijze die tijdrovend is en vanuit economisch gezichtspunt inefficiënt. En wat hun werk dan uiteindelijk tot kunst maakt hangt niet zozeer af van de tijd of inspanning die het maken ervan kost, als wel van iets onvoorspelbaars dat niet doelbewust werd nagestreefd. De wijze waarop een kunstwerk tot stand komt kan dan ook nooit worden herhaald, kan niet worden opgenomen in een productieproces, kan dus niet gehoorzamen aan economische wetten, of beantwoorden aan politieke eisen.
Gezien vanuit een politiek-economisch perspectief is het kunstenaarschap dus irrelevant en onmisbaar tegelijk. Met die paradox hebben alle kunstenaars te maken zodra zij hun werk of hun vaardigheden willen verkopen.
WILT U DEZE GALERIJ BLIJVEN VOLGEN ?
vul dan uw emailadres in en meld u aan –
u krijgt éénmaal per drie maanden bericht.