De emancipatie der zintuigen
De wijze waarop mensen waarnemen is geen constant gegeven. Wij zien, horen, ruiken de wereld tegenwoordig anders dan men deed in de oudheid, anders ook dan in de tijd vóór de industriële revolutie. Elk historisch tijdperk brengt een realiteit voort die onze zintuiglijkheid als het ware opnieuw configureert.
Dit inzicht kwam voor het eerst tot uitdrukking in de filosofische notities van Karl Marx, geschreven in de jaren 1843 – 1844 in Parijs. Het is pas de muziek, schreef hij, die de zin voor muziek wekt: de vorming van onze vijf zintuigen is een werk van de hele wereldgeschiedenis.
In de zelfde jaren waarin de jonge Marx aan zijn Parijse manuscripten werkte moet om hem heen een transformatie voelbaar zijn geweest van de observerende mens, dus van de mens als kijker en luisteraar. De industriële revolutie was juist in volle hevigheid gaande en veranderde in hoog tempo de totale samenleving, terwijl bijna overal ook de oude, voor-industriële wereld nog bestond als een parallelle, zich terugtrekkende werkelijkheid.
Er ontstond in die tijd een nieuwe wetenschap: de fysiologische psychologie. Onderdeel daarvan was de studie van het oog in termen van reactietijden, stimulatiedrempels, aandacht en vermoeidheid. Die studies zochten antwoorden op de dringende vraag naar kennis omtrent de aanpassing van mensen aan gerationaliseerde, efficiënte arbeidsmethoden waarvoor maximale aandacht was vereist.
In het industriële productieproces was onoplettendheid een ernstig probleem geworden, met grote economische gevolgen. De nieuwe fysiologische kennis leverde technieken op die, zoals Walter Benjamin het uitdrukte, het menselijk sensorium aan een complexe vorm van training onderwierpen. Technieken gericht op het controleren en beheersen van aandacht. De perfectionering daarvan bracht uiteindelijk de moderne waarnemer voort, een waarnemer die in staat was de enorme hoeveelheid beeld en informatie te verwerken die inmiddels ook in de wereld buiten de fabriek circuleerde.
Tegenwoordig is daar nog iets bij gekomen: het beeldscherm. Het scherm dat altijd en overal onze aandacht trekt en onophoudelijk aandacht afleidt. Aandacht die onmiddellijk wordt omgezet in respons, in repetitieve handelingen die op hun beurt weer samengaan met luisteren en kijken – een kijken dat continu onderbroken wordt door opties voor feedback, keuzes, simultaan reageren. Eindeloos wordt men gestimuleerd tot individuele kijk-acties en daarmee tot het genereren van data voor de steeds verfijndere technieken van controle.
Maar de wijze waarop wij kijken en luisteren is geen constant gegeven. In zijn Parijse werkkamer stelde Marx zich destijds een toekomst voor waarin mensen zich totaal anders tot het waarneembare verhouden. Wanneer de wereld niet meer wordt beheerst door hebzucht, schrijft hij, en dus niet langer verschijnt als onmiddellijk te gebruiken en bezitten, dan zal onze blik afstand nemen van het directe nut der dingen en eindelijk menselijk worden, dat wil zeggen een menselijk geworden werkelijkheid tot zich kunnen nemen. Zo formuleerde hij een filosofisch vergezicht op wat hij de emancipatie van de zintuigen noemde.
Het beeld dat de jonge filosoof voor ogen stond lijkt utopisch en dus onbereikbaar. Toch was al enkele decennia voordat Marx in Parijs arriveerde in die stad een ruimte ontstaan waar de utopie wel degelijk kon verschijnen als belofte, als mogelijke realiteit. Het ging om een zeer concrete maar volkomen nieuwe, van het praktische leven afgescheiden ruimte. Wie daar binnentrad nam zich inderdaad voor om, ook al was het maar voor even, de blik te bevrijden van het nut der dingen.
Wat was er gebeurd? In het jaar 1792 was in Frankrijk een eeuwenoud, machtig instituut in elkaar gestort: de monarchie. De revolutionaire regering die zich toen vestigde nam al snel een ingrijpend besluit, namelijk om het erfgoed uit het oude regime niet te vernietigen (zoals bij dergelijke gewelddadige omwentelingen gebruikelijk was) maar te bewaren en radicaal onnuttig te maken.
De bezittingen van de kerk, inclusief alle kunstschatten, werden geconfisceerd en ondergebracht in het Louvre, het voormalig koninklijk paleis dat bij die gelegenheid werd opengesteld voor publiek. De daar verzamelde stukken werden later nog aangevuld met geroofde buit uit de Napoleontische oorlogen. Met geweld losgerukt uit hun religieuze of aristocratische context, en daarmee ook uit wat zij in die context betekenden, veranderden al die voorwerpen in wat wij nu kunst noemen: objecten zonder nut of functie, uitsluitend bestemd voor vertoning.
Het kunstmuseum zoals wij tegenwoordig kennen kwam tot stand als ruimte rond het in onbruik geraakte beeld – een ruimte niet langer gereserveerd voor een religieus of adellijk publiek van ingewijden, maar open voor iedereen, dus voor niemand in het bijzonder. Onze huidige tentoonstellingszalen worden nog altijd bezocht door diezelfde naamloze bezoeker: de waarnemer die iedereen kan zijn.
Maar de moderne, anonieme waarnemer is nooit een onbeschreven blad. Onze hedendaagse blik is onvermijdelijk geconditioneerd door het kapitalisme van de 21e eeuw. Het oog en het brein hebben geleerd te observeren op een wijze die wel wordt aangeduid als automatische identificatie – dat wil zeggen de onmiddellijke en routineuze interpretatie van signalen. Elk teken, ieder woord of beeld wordt direct betrokken op een context die al klaar ligt, en wordt automatisch van daaruit begrepen.
Elk historisch tijdperk brengt een realiteit voort die om een nieuwe afstemming van de zintuigen vraagt. De kapitalische realiteit beheerst en controleert de aandacht, dwingt tot het verwerken van grote hoeveelheden beeld en informatie en de ogenblikkelijke omzetting daarvan in actie. Toch splitst zich altijd een ruimte af die de gegeven realiteit negeert: een tegenruimte, waar de blik zich los maakt van de dagelijkse dwang.
Kunst is een tegenruimte waar de identificatie zich niet automatisch voltrekt, waar het begrijpen mislukt, waar de context ontbreekt die zekerheid zou geven over een verklaring of betekenis. Tentoongestelde kunstwerken maken stromen van associaties los, maar laten zich door geen van die associaties vangen. Wat men zich er ook bij voorstelt, de werken laten het van zich afglijden en blijven onverstoorbaar waar ze zijn. Zonder aan te komen bij een oordeel, zonder tot handelen over te gaan ervaart de waarnemer het vrije en bevrijdende spel van de verbeeldingskracht. Het kan een begin zijn van emancipatie.
WILT U DEZE GALERIJ BLIJVEN VOLGEN ?
vul dan uw emailadres in en meld u aan –
u krijgt éénmaal per drie maanden bericht.
vorige edities blog
online galerij
startpagina (info & contact)
De emancipatie der zintuigen
De wijze waarop mensen waarnemen is geen constant gegeven. Wij zien, horen, ruiken de wereld tegenwoordig anders dan men deed in de oudheid, anders ook dan in de tijd vóór de industriële revolutie. Elk historisch tijdperk brengt een realiteit voort die onze zintuiglijkheid als het ware opnieuw configureert.
Dit inzicht kwam voor het eerst tot uitdrukking in de filosofische notities van Karl Marx, geschreven in de jaren 1843 – 1844 in Parijs. Het is pas de muziek, schreef hij, die de zin voor muziek wekt: de vorming van onze vijf zintuigen is een werk van de hele wereldgeschiedenis.
In de zelfde jaren waarin de jonge Marx aan zijn Parijse manuscripten werkte moet om hem heen een transformatie voelbaar zijn geweest van de observerende mens, dus van de mens als kijker en luisteraar. De industriële revolutie was juist in volle hevigheid gaande en veranderde in hoog tempo de totale samenleving, terwijl bijna overal ook de oude, voor-industriële wereld nog bestond als een parallelle, zich terugtrekkende werkelijkheid.
Er ontstond in die tijd een nieuwe wetenschap: de fysiologische psychologie. Onderdeel daarvan was de studie van het oog in termen van reactietijden, stimulatiedrempels, aandacht en vermoeidheid. Die studies zochten antwoorden op de dringende vraag naar kennis omtrent de aanpassing van mensen aan gerationaliseerde, efficiënte arbeidsmethoden waarvoor maximale aandacht was vereist.
In het industriële productieproces was onoplettendheid een ernstig probleem geworden, met grote economische gevolgen. De nieuwe fysiologische kennis leverde technieken op die, zoals Walter Benjamin het uitdrukte, het menselijk sensorium aan een complexe vorm van training onderwierpen. Technieken gericht op het controleren en beheersen van aandacht. De perfectionering daarvan bracht uiteindelijk de moderne waarnemer voort, een waarnemer die in staat was de enorme hoeveelheid beeld en informatie te verwerken die inmiddels ook in de wereld buiten de fabriek circuleerde.
Tegenwoordig is daar nog iets bij gekomen: het beeldscherm. Het scherm dat altijd en overal onze aandacht trekt en onophoudelijk aandacht afleidt. Aandacht die onmiddellijk wordt omgezet in respons, in repetitieve handelingen die op hun beurt weer samengaan met luisteren en kijken – een kijken dat continu onderbroken wordt door opties voor feedback, keuzes, simultaan reageren. Eindeloos wordt men gestimuleerd tot individuele kijk-acties en daarmee tot het genereren van data voor de steeds verfijndere technieken van controle.
Maar de wijze waarop wij kijken en luisteren is geen constant gegeven. In zijn Parijse werkkamer stelde Marx zich destijds een toekomst voor waarin mensen zich totaal anders tot het waarneembare verhouden. Wanneer de wereld niet meer wordt beheerst door hebzucht, schrijft hij, en dus niet langer verschijnt als onmiddellijk te gebruiken en bezitten, dan zal onze blik afstand nemen van het directe nut der dingen en eindelijk menselijk worden, dat wil zeggen een menselijk geworden werkelijkheid tot zich kunnen nemen. Zo formuleerde hij een filosofisch vergezicht op wat hij de emancipatie van de zintuigen noemde.
Het beeld dat de jonge filosoof voor ogen stond lijkt utopisch en dus onbereikbaar. Toch was al enkele decennia voordat Marx in Parijs arriveerde in die stad een ruimte ontstaan waar de utopie wel degelijk kon verschijnen als belofte, als mogelijke realiteit. Het ging om een zeer concrete maar volkomen nieuwe, van het praktische leven afgescheiden ruimte. Wie daar binnentrad nam zich inderdaad voor om, ook al was het maar voor even, de blik te bevrijden van het nut der dingen.
Wat was er gebeurd? In het jaar 1792 was in Frankrijk een eeuwenoud, machtig instituut in elkaar gestort: de monarchie. De revolutionaire regering die zich toen vestigde nam al snel een ingrijpend besluit, namelijk om het erfgoed uit het oude regime niet te vernietigen (zoals bij dergelijke gewelddadige omwentelingen gebruikelijk was) maar te bewaren en radicaal onnuttig te maken.
De bezittingen van de kerk, inclusief alle kunstschatten, werden geconfisceerd en ondergebracht in het Louvre, het voormalig koninklijk paleis dat bij die gelegenheid werd opengesteld voor publiek. De daar verzamelde stukken werden later nog aangevuld met geroofde buit uit de Napoleontische oorlogen. Met geweld losgerukt uit hun religieuze of aristocratische context, en daarmee ook uit wat zij in die context betekenden, veranderden al die voorwerpen in wat wij nu kunst noemen: objecten zonder nut of functie, uitsluitend bestemd voor vertoning.
Het kunstmuseum zoals wij tegenwoordig kennen kwam tot stand als ruimte rond het in onbruik geraakte beeld – een ruimte niet langer gereserveerd voor een religieus of adellijk publiek van ingewijden, maar open voor iedereen, dus voor niemand in het bijzonder. Onze huidige tentoonstellingszalen worden nog altijd bezocht door diezelfde naamloze bezoeker: de waarnemer die iedereen kan zijn.
Maar de moderne, anonieme waarnemer is nooit een onbeschreven blad. Onze hedendaagse blik is onvermijdelijk geconditioneerd door het kapitalisme van de 21e eeuw. Het oog en het brein hebben geleerd te observeren op een wijze die wel wordt aangeduid als automatische identificatie – dat wil zeggen de onmiddellijke en routineuze interpretatie van signalen. Elk teken, ieder woord of beeld wordt direct betrokken op een context die al klaar ligt, en wordt automatisch van daaruit begrepen.
Elk historisch tijdperk brengt een realiteit voort die om een nieuwe afstemming van de zintuigen vraagt. De kapitalische realiteit beheerst en controleert de aandacht, dwingt tot het verwerken van grote hoeveelheden beeld en informatie en de ogenblikkelijke omzetting daarvan in actie. Toch splitst zich altijd een ruimte af die de gegeven realiteit negeert: een tegenruimte, waar de blik zich los maakt van de dagelijkse dwang.
Kunst is een tegenruimte waar de identificatie zich niet automatisch voltrekt, waar het begrijpen mislukt, waar de context ontbreekt die zekerheid zou geven over een verklaring of betekenis. Tentoongestelde kunstwerken maken stromen van associaties los, maar laten zich door geen van die associaties vangen. Wat men zich er ook bij voorstelt, de werken laten het van zich afglijden en blijven onverstoorbaar waar ze zijn. Zonder aan te komen bij een oordeel, zonder tot handelen over te gaan ervaart de waarnemer het vrije en bevrijdende spel van de verbeeldingskracht. Het kan een begin zijn van emancipatie.
WILT U DEZE GALERIJ BLIJVEN VOLGEN ?
vul dan uw emailadres in en meld u aan –
u krijgt éénmaal per drie maanden bericht.
vorige edities blog
online galerij
startpagina (info & contact)
De emancipatie der zintuigen
De wijze waarop mensen waarnemen is geen constant gegeven. Wij zien, horen, ruiken de wereld tegenwoordig anders dan men deed in de oudheid, anders ook dan in de tijd vóór de industriële revolutie. Elk historisch tijdperk brengt een realiteit voort die onze zintuiglijkheid als het ware opnieuw configureert.
Dit inzicht kwam voor het eerst tot uitdrukking in de filosofische notities van Karl Marx, geschreven in de jaren 1843 – 1844 in Parijs. Het is pas de muziek, schreef hij, die de zin voor muziek wekt: de vorming van onze vijf zintuigen is een werk van de hele wereldgeschiedenis.
In de zelfde jaren waarin de jonge Marx aan zijn Parijse manuscripten werkte moet om hem heen een transformatie voelbaar zijn geweest van de observerende mens, dus van de mens als kijker en luisteraar. De industriële revolutie was juist in volle hevigheid gaande en veranderde in hoog tempo de totale samenleving, terwijl bijna overal ook de oude, voor-industriële wereld nog bestond als een parallelle, zich terugtrekkende werkelijkheid.
Er ontstond in die tijd een nieuwe wetenschap: de fysiologische psychologie. Onderdeel daarvan was de studie van het oog in termen van reactietijden, stimulatiedrempels, aandacht en vermoeidheid. Die studies zochten antwoorden op de dringende vraag naar kennis omtrent de aanpassing van mensen aan gerationaliseerde, efficiënte arbeidsmethoden waarvoor maximale aandacht was vereist.
In het industriële productieproces was onoplettendheid een ernstig probleem geworden, met grote economische gevolgen. De nieuwe fysiologische kennis leverde technieken op die, zoals Walter Benjamin het uitdrukte, het menselijk sensorium aan een complexe vorm van training onderwierpen. Technieken gericht op het controleren en beheersen van aandacht. De perfectionering daarvan bracht uiteindelijk de moderne waarnemer voort, een waarnemer die in staat was de enorme hoeveelheid beeld en informatie te verwerken die inmiddels ook in de wereld buiten de fabriek circuleerde.
Tegenwoordig is daar nog iets bij gekomen: het beeldscherm. Het scherm dat altijd en overal onze aandacht trekt en onophoudelijk aandacht afleidt. Aandacht die onmiddellijk wordt omgezet in respons, in repetitieve handelingen die op hun beurt weer samengaan met luisteren en kijken – een kijken dat continu onderbroken wordt door opties voor feedback, keuzes, simultaan reageren. Eindeloos wordt men gestimuleerd tot individuele kijk-acties en daarmee tot het genereren van data voor de steeds verfijndere technieken van controle.
Maar de wijze waarop wij kijken en luisteren is geen constant gegeven. In zijn Parijse werkkamer stelde Marx zich destijds een toekomst voor waarin mensen zich totaal anders tot het waarneembare verhouden. Wanneer de wereld niet meer wordt beheerst door hebzucht, schrijft hij, en dus niet langer verschijnt als onmiddellijk te gebruiken en bezitten, dan zal onze blik afstand nemen van het directe nut der dingen en eindelijk menselijk worden, dat wil zeggen een menselijk geworden werkelijkheid tot zich kunnen nemen. Zo formuleerde hij een filosofisch vergezicht op wat hij de emancipatie van de zintuigen noemde.
Het beeld dat de jonge filosoof voor ogen stond lijkt utopisch en dus onbereikbaar. Toch was al enkele decennia voordat Marx in Parijs arriveerde in die stad een ruimte ontstaan waar de utopie wel degelijk kon verschijnen als belofte, als mogelijke realiteit. Het ging om een zeer concrete maar volkomen nieuwe, van het praktische leven afgescheiden ruimte. Wie daar binnentrad nam zich inderdaad voor om, ook al was het maar voor even, de blik te bevrijden van het nut der dingen.
Wat was er gebeurd? In het jaar 1792 was in Frankrijk een eeuwenoud, machtig instituut in elkaar gestort: de monarchie. De revolutionaire regering die zich toen vestigde nam al snel een ingrijpend besluit, namelijk om het erfgoed uit het oude regime niet te vernietigen (zoals bij dergelijke gewelddadige omwentelingen gebruikelijk was) maar te bewaren en radicaal onnuttig te maken.
De bezittingen van de kerk, inclusief alle kunstschatten, werden geconfisceerd en ondergebracht in het Louvre, het voormalig koninklijk paleis dat bij die gelegenheid werd opengesteld voor publiek. De daar verzamelde stukken werden later nog aangevuld met geroofde buit uit de Napoleontische oorlogen. Met geweld losgerukt uit hun religieuze of aristocratische context, en daarmee ook uit wat zij in die context betekenden, veranderden al die voorwerpen in wat wij nu kunst noemen: objecten zonder nut of functie, uitsluitend bestemd voor vertoning.
Het kunstmuseum zoals wij tegenwoordig kennen kwam tot stand als ruimte rond het in onbruik geraakte beeld – een ruimte niet langer gereserveerd voor een religieus of adellijk publiek van ingewijden, maar open voor iedereen, dus voor niemand in het bijzonder. Onze huidige tentoonstellingszalen worden nog altijd bezocht door diezelfde naamloze bezoeker: de waarnemer die iedereen kan zijn.
Maar de moderne, anonieme waarnemer is nooit een onbeschreven blad. Onze hedendaagse blik is onvermijdelijk geconditioneerd door het kapitalisme van de 21e eeuw. Het oog en het brein hebben geleerd te observeren op een wijze die wel wordt aangeduid als automatische identificatie – dat wil zeggen de onmiddellijke en routineuze interpretatie van signalen. Elk teken, ieder woord of beeld wordt direct betrokken op een context die al klaar ligt, en wordt automatisch van daaruit begrepen.
Elk historisch tijdperk brengt een realiteit voort die om een nieuwe afstemming van de zintuigen vraagt. De kapitalische realiteit beheerst en controleert de aandacht, dwingt tot het verwerken van grote hoeveelheden beeld en informatie en de ogenblikkelijke omzetting daarvan in actie. Toch splitst zich altijd een ruimte af die de gegeven realiteit negeert: een tegenruimte, waar de blik zich los maakt van de dagelijkse dwang.
Kunst is een tegenruimte waar de identificatie zich niet automatisch voltrekt, waar het begrijpen mislukt, waar de context ontbreekt die zekerheid zou geven over een verklaring of betekenis. Tentoongestelde kunstwerken maken stromen van associaties los, maar laten zich door geen van die associaties vangen. Wat men zich er ook bij voorstelt, de werken laten het van zich afglijden en blijven onverstoorbaar waar ze zijn. Zonder aan te komen bij een oordeel, zonder tot handelen over te gaan ervaart de waarnemer het vrije en bevrijdende spel van de verbeeldingskracht. Het kan een begin zijn van emancipatie.
WILT U DEZE GALERIJ BLIJVEN VOLGEN ?
vul dan uw emailadres in en meld u aan –
u krijgt éénmaal per drie maanden bericht.