De vis en het water (filosofisch intermezzo)  

Descartes was een rigoreus denker. Op zekere dag, nu bijna vier eeuwen geleden, besloot hij niets meer als ‘waar’ aan te nemen waarover hij zich ook maar de minste twijfel kon voorstellen. Juist door aan alles te twijfelen ontdekte hij echter dat iets zich aan die twijfel onttrok – dat was het twijfelende denken zelf, en daarmee ook het “ik” dat denkt en twijfelt:  “(…) tegelijk bedacht ik dat, terwijl ik aldus wilde denken dat alles onwaar was, het noodzakelijk zo was, dat ik, die het dacht, iets was.”

Het denkende “ik” of subject maakte in zijn ervaring geen deel uit van de fysieke werkelijkheid. Het was van een andere orde: “Voorts onderzocht ik met aandacht wat ik was en zag dat ik kon aannemen dat ik geen lichaam had en er geen wereld of plaats was waar ik mij bevond; daaruit begreep ik dat ik een substantie was welker gehele wezen of natuur niets is dan denken, en die om te bestaan geen plaats nodig heeft noch afhangt van enige stoffelijke zaak.”

Descartes bracht zo een scheiding tot stand tussen dingen die niet denken en een denkend, maar onlichamelijk “ik”, of tussen enerzijds het lichaam en anderzijds de geest of het bewustzijn. Dit zogenoemde dualisme stond aan de basis van het moderne wetenschappelijk wereldbeeld: ook daarin verschijnt de objectieve “werkelijkheid” tegenover een subjectief bewustzijn dat die werkelijkheid als het ware van buitenaf (en alleen maar zo) kan waarnemen, kennen en begrijpen.

Sinds kort echter verkeert dat moderne, zelfbewuste “subject” in een crisis. De “zelfheid” ervan is voorwerp geworden van kritiek, van deconstructie, van filosofische ondermijning door een hele reeks (alweer) Franse denkers: Lacan, Foucault, Derrida, Deleuze. De laatstgenoemde filosoof kwam tot het inzicht dat onze verhouding tot de werkelijkheid niet wordt gedragen door een punt buiten die werkelijkheid (wat Descartes dus het subject noemde), maar door de werkelijkheid zelf: wij zijn de werkelijkheid – en de werkelijkheid is grenzeloos, onpersoonlijk, altijd in wording.

Het bewustzijn is niet een soort geest die boven het lichaam zweeft, maar is van het lichaam en blijft daarom altijd vreemd voor zichzelf. Dit inzicht werd door de Amerikaanse filosoof Fredric Jameson verduidelijkt met een eenvoudige metafoor: wij zijn in het bewustzijn, schreef hij, als een vis in het water. Er bestaat geen archimedisch punt buiten het bewustzijn van waaruit we het zouden kunnen beschrijven, begrijpen of verklaren.  

Eerder kwam Deleuze tot een vergelijkbare conclusie, in een beschouwing over het brein. Daar is iets mee, schreef hij, dat nooit kan worden “geobjectiveerd”, want het denkende brein gaat terug op een meer primitieve, chaotische zone – de zone van het “on-gedachte”. En net als het bewustzijn is ook dat onbewuste of ongedachte niet voorstelbaar. We kunnen ons er geen voorstelling van maken, want voor-stellen impliceert een extern standpunt van waaruit je iets vóór je ziet. De metafoor van de vis en het water leert dat een dergelijk perspectief onmogelijk is.

De werkelijkheid heeft dus een dimensie die voor ons niet kenbaar is. In zijn beroemde colleges over psychoanalyse duidde Lacan dit onbereikbare gebied aan als “het reële”. Eenmaal aangekomen bij “het reële” lijkt de filosofie geconfronteerd te worden met haar eigen grens.

Deleuze wilde dat het denken dieper ging: het moet, schreef hij, neerdalen in het lichaam om het niet-gedachte te bereiken. Want het lichaam (dat niet denkt) dwingt “datgene te denken wat zich aan de gedachte onttrekt: het leven.”

Denken wat zich aan de gedachte onttrekt: zo eindigde de filosofie in een onoplosbare paradox. Verder dan hier kunnen filosofen niet gaan. Waar zij toch verder gaan verandert hun werk in iets dat geen filosofie meer is, maar onvermijdelijk de vorm aanneemt van wat Jameson omschrijft als een “literaire oefening” – met andere woorden: een vorm van kunst.

En inderdaad: het zijn bij uitstek de kunstenaars die in “datgene wat zich aan de gedachte onttrekt” een geschenk ontdekken, een bron van beelden en ideeën. Over de grens van de filosofie ligt het rijke, paradoxale land van de kunst.

WILT U DEZE GALERIJ BLIJVEN VOLGEN ?

vul dan uw emailadres in en meld u aan –
u krijgt éénmaal per drie maanden bericht.

vorige edities blog

startpagina (info & contact)

online galerij

De vis en het water (filosofisch intermezzo)  

Descartes was een rigoreus denker. Op zekere dag, nu bijna vier eeuwen geleden, besloot hij niets meer als ‘waar’ aan te nemen waarover hij zich ook maar de minste twijfel kon voorstellen. Juist door aan alles te twijfelen ontdekte hij echter dat iets zich aan die twijfel onttrok – dat was het twijfelende denken zelf, en daarmee ook het “ik” dat denkt en twijfelt:  “(…) tegelijk bedacht ik dat, terwijl ik aldus wilde denken dat alles onwaar was, het noodzakelijk zo was, dat ik, die het dacht, iets was.”

Het denkende “ik” of subject maakte in zijn ervaring geen deel uit van de fysieke werkelijkheid. Het was van een andere orde: “Voorts onderzocht ik met aandacht wat ik was en zag dat ik kon aannemen dat ik geen lichaam had en er geen wereld of plaats was waar ik mij bevond; daaruit begreep ik dat ik een substantie was welker gehele wezen of natuur niets is dan denken, en die om te bestaan geen plaats nodig heeft noch afhangt van enige stoffelijke zaak.”

Descartes bracht zo een scheiding tot stand tussen dingen die niet denken en een denkend, maar onlichamelijk “ik”, of tussen enerzijds het lichaam en anderzijds de geest of het bewustzijn. Dit zogenoemde dualisme stond aan de basis van het moderne wetenschappelijk wereldbeeld: ook daarin verschijnt de objectieve “werkelijkheid” tegenover een subjectief bewustzijn dat die werkelijkheid als het ware van buitenaf (en alleen maar zo) kan waarnemen, kennen en begrijpen.

Sinds kort echter verkeert dat moderne, zelfbewuste “subject” in een crisis. De “zelfheid” ervan is voorwerp geworden van kritiek, van deconstructie, van filosofische ondermijning door een hele reeks (alweer) Franse denkers: Lacan, Foucault, Derrida, Deleuze. De laatstgenoemde filosoof kwam tot het inzicht dat onze verhouding tot de werkelijkheid niet wordt gedragen door een punt buiten die werkelijkheid (wat Descartes dus het subject noemde), maar door de werkelijkheid zelf: wij zijn de werkelijkheid – en de werkelijkheid is grenzeloos, onpersoonlijk, altijd in wording.

Het bewustzijn is niet een soort geest die boven het lichaam zweeft, maar is van het lichaam en blijft daarom altijd vreemd voor zichzelf. Dit inzicht werd door de Amerikaanse filosoof Fredric Jameson verduidelijkt met een eenvoudige metafoor: wij zijn in het bewustzijn, schreef hij, als een vis in het water. Er bestaat geen archimedisch punt buiten het bewustzijn van waaruit we het zouden kunnen beschrijven, begrijpen of verklaren.  

Eerder kwam Deleuze tot een vergelijkbare conclusie, in een beschouwing over het brein. Daar is iets mee, schreef hij, dat nooit kan worden “geobjectiveerd”, want het denkende brein gaat terug op een meer primitieve, chaotische zone – de zone van het “on-gedachte”. En net als het bewustzijn is ook dat onbewuste of ongedachte niet voorstelbaar. We kunnen ons er geen voorstelling van maken, want voor-stellen impliceert een extern standpunt van waaruit je iets vóór je ziet. De metafoor van de vis en het water leert dat een dergelijk perspectief onmogelijk is.

De werkelijkheid heeft dus een dimensie die voor ons niet kenbaar is. In zijn beroemde colleges over psychoanalyse duidde Lacan dit onbereikbare gebied aan als “het reële”. Eenmaal aangekomen bij “het reële” lijkt de filosofie geconfronteerd te worden met haar eigen grens.

Deleuze wilde dat het denken dieper ging: het moet, schreef hij, neerdalen in het lichaam om het niet-gedachte te bereiken. Want het lichaam (dat niet denkt) dwingt “datgene te denken wat zich aan de gedachte onttrekt: het leven.”

Denken wat zich aan de gedachte onttrekt: zo eindigde de filosofie in een onoplosbare paradox. Verder dan hier kunnen filosofen niet gaan. Waar zij toch verder gaan verandert hun werk in iets dat geen filosofie meer is, maar onvermijdelijk de vorm aanneemt van wat Jameson omschrijft als een “literaire oefening” – met andere woorden: een vorm van kunst.

En inderdaad: het zijn bij uitstek de kunstenaars die in “datgene wat zich aan de gedachte onttrekt” een geschenk ontdekken, een bron van beelden en ideeën. Over de grens van de filosofie ligt het rijke, paradoxale land van de kunst.

WILT U DEZE GALERIJ BLIJVEN VOLGEN ?

vul dan uw emailadres in en meld u aan –
u krijgt éénmaal per drie maanden bericht.