Sahara in het hoofd: schilderen volgens Deleuze

 

Wanneer een schilder aan het werk gaat heeft hij geen blanco doek tegenover zich. Alles wat hij in zijn hoofd of om zich heen heeft, virtueel of in werkelijkheid, is al op het doek voordat de schilder begint. Hij vult dus geen wit oppervlak, maar schildert op of over beelden die er al zijn.

Bovenstaande woorden zijn afkomstig uit een boek over schilderkunst, geschreven door een filosoof. Het betreft een studie over de schilder Francis Bacon, en de auteur is Gilles Deleuze. Ik zal proberen enkele opmerkelijke fragmenten samen te vatten.

Er is, schrijft Deleuze, een werk van voorbereiding dat bij het schilderen hoort en er toch aan vooraf gaat. Het is onzichtbaar en stil, maar zeer intens.

Het schilderen veronderstelt dat er gegeven voorstellingen (données figuratives) zijn – min of meer virtueel, op het doek en in het hoofd van de schilder – die door de daad van het schilderen zullen worden afgebeeld, uitgeveegd of bedekt.

Bijvoorbeeld een hoofd: men haalt een gedeelte weg met een kwast, een spons of een lap. Het is alsof men plotseling een zone van de Sahara in het hoofd introduceert, alsof men een onder de microscoop bekeken huid van een rinoceros spant; alsof men twee stukken van het hoofd scheidt door een oceaan. Het is als een catastrofe die zich voordoet op het doek, een catastrofe in de gegeven en te verwachten voorstellingen. Het is als het te voorschijn komen van een andere wereld. Want deze vlekken, strepen, lijnen zijn irrationeel, onwillekeurig, toevallig, vrij. Zij stellen niets voor, illustreren niets, vertellen niets. Het is alsof de hand zijn onafhankelijkheid opeist en zich in dienst stelt van andere krachten dan onze wil en ons oog.

Deze bijna blinde sporen van de hand getuigen van het binnendringen van een andere wereld in de wereld van de visuele voorstelling. Men ziet niets meer, als in een catastrofe, een chaos. Dat is de actie van het schilderen. Wat overblijft is het werkzame geheel van lijnen en velden, strepen en vlekken die geen betekenis hebben en niets voorstellen. De werking of functie ervan is suggestief te zijn, de mogelijkheid te introduceren van een picturaal feit.

De chaos, de catastrofe is gewelddadig ten opzichte van de gegeven voorstellingen, maar is tegelijk de kiem van een schilderkunstige orde of een picturaal ritme. Daarmee eindigt het werk van voorbereiding en begint de actie van het schilderen.

Het gaat niet om een psychologische maar om een schilderkunstige ervaring. Er is geen schilder die deze ervaring niet heeft van chaos-kiem, waarin men niets meer ziet en dreigt weg te zinken: ineenstorting van de visuele coördinaten. De schilderkunst is ongetwijfeld de enige kunst die zijn eigen catastrofe in zich opneemt en zich van daaruit constitueert als een sprong naar voren. De schilder gaat door de catastrofe, omarmt de chaos en probeert er uit te komen. Het enige waarin de schilders van elkaar verschillen is de manier waarop ze de voorstellingloze chaos (ce chaos non figuratif) omarmen, en waarop ze de picturale orde welke zich aandient, en de relatie van die orde tot de chaos, waarderen. 

Tot zover Deleuze. Eigenlijk gaat zijn boek niet ‘over’ Francis Bacon: de filosoof denkt de schilderkunst, zoals Alain Badiou opmerkte, als een violente vorm van denken. Of beter: als een manier om zich in een chaotisch gebied te begeven dat aan het denken vooraf gaat. Men duikt onder in een ongedachte zone die de bron is van vitale ideeën.

(wordt vervolgd) 

REACTIES

Reacties worden op prijs gesteld – mail uw bijdrage naar wimkranendonk@xs4all.nl

WILT U DEZE GALERIJ BLIJVEN VOLGEN ?

vul dan uw emailadres in en meld u aan –
u krijgt éénmaal per drie maanden bericht.