Een vergeten tekst

In mijn essay over tekenkunst dat begin dit jaar werd gepubliceerd (en hier via de website verkrijgbaar is) citeerde ik enkele keren een tekst van de Vlaamse auteur, criticus en ‘cultuurjournalist’ Dirk Lauwaert. In de reacties op mijn boekje kwam naderhand de vraag naar voren waar die bijzondere tekst te vinden is. Ik vrees te moeten antwoorden: waarschijnlijk nergens.  

Lauwaert heeft een groot en zeer divers oeuvre nagelaten, verspreid over duizenden publicaties. Het is niet onder een bepaalde noemer te vangen, omdat de schrijver een buitengewoon breed spectrum aan onderwerpen aansneed. Hij had een scherpe, originele visie op het gebied van mode, film, fotografie, beeldende kunst en architectuur, en maakte geen onderscheid tussen ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur. Eén van zijn leerlingen vroeg zich ooit vol bewondering af: ‘Wie schrijft er nu even goed over Marlene Dietrich als over Tiepolo, over Louise Bourgeois als over Vogue, over Goya en Manet als over King Kong?’

Vaak betreft het teksten die nu nauwelijks meer te vinden zijn, onder meer omdat veel ervan verscheen in kleine tijdschriften en dagbladen. Eén van die teksten gaat over tekenkunst en verscheen dertig jaar geleden in De betekenis van het tekenen, een boekje uitgegeven ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan van de Rijksakademie van beeldende kunsten te Amsterdam.

Jaren terug vond ik bij toeval nog een exemplaar ervan in een antiquariaat. De bijdrage van Lauwaert draagt de titel ‘Tekens lege beelden’ en is een van de mooiste teksten over tekenkunst die ik ken. Het is een zeldzaam voorbeeld van denkend schrijven, van gedachten die al schrijvend vorm kregen. Die gedachten zijn na drie decennia nog altijd de moeite waard; daarom laat ik hier uit dit bijna vergeten geschrift enkele fragmenten volgen, als hommage aan de in 2013 overleden auteur. 

*

Uit ‘Tekens lege beelden’ van Dirk Lauwaert:

‘Het instrument van het tekenen is een scherpe punt die een spoor nalaat. Je beweegt iets in de ruimte en het laat een bewijs achter, een verificatie van zijn doorgang: daar kwam het langs, dat liet het achter. Als het slijmspoor van een slak. Iedere beweging wordt vastgelegd, verraadt zo zichzelf. Iedereen ziet waar het potlood geweest is, op welke manier, wat het daar deed. Alles ligt open en bloot voor iedereen zichtbaar op het papier. Het resultaat is glorieus obsceen. Het hele proces ligt in een verbijsterende slow-motion op het papier. Iedere tekening is een radiografie van de act van het tekenen.’

‘De tekening is fundamenteel een spoor. Een spoor staat steeds centripetaal in een open, onbegrensd veld. Het ontvangt van dat veld geen enkele structurerende steun, geeft integendeel aan dat veld een centrum. (…) Een tekening schept niet uit het gevulde, maar bouwt in de leegte. Het is eerder een punctie, een peillood. Schilders kunnen weinig met leegte doen; hun ambitie is te vullen. Laten ze hun beeld deels ongevuld, dan is de associatie met tekenen er meteen. Fotografen werken met een instrument dat geen leegte kent: hun zoeker geeft ze altijd een van rand tot rand met informatie gevuld oppervlak. Het licht is immers niet ongelijk, maar gelijkmatig verdeeld: het is een homogeen milieu. Het tekenen is het heterogene bij uitstek.’

‘Tekenen doet men steeds in een open vlakte: het waait er altijd, het biedt geen enkele beschutting, maar wel een houvast. Zoals de intellectuele arbeid die er niet is om een huis te scheppen, maar om in de leegte een houvast te geven. De tekening is het merken van een onbegrensd landschap; het blad papier eindigt nergens. Iedere tekening is een soort land art en dus een vorm van magie’

‘Het tekenen is de oorzaak van zijn eigen voorwaarde. Een leeg blad is geen achtergrond, kent die categorie niet eens; pas door te tekenen wordt het blad iets radicaal anders, namelijk die achtergrond waartegen het als teken verschijnt. Tekenen is dus tekenen van de achtergrond, daar waar niet getekend wordt. Tekenaars zijn bij uitstek kunstenaars van de achtergrond. Achtergrond en oppervlak zijn de echo van de tekening, als de antipode van het affirmatieve merken.’ 

‘Fotografie is de radicale ontkenning want onmogelijkheid van het tekenen. Voor de fotograaf is de werkelijkheid een ongedifferentieerde deeg waarin hij schept, alleen het lepeltje van zijn lichtvanger is begrensd. De tekenaar heeft geen lepel, maar een punt. (Hij vist met een priem zoals Eskimo’s met een harpoen; de fotograaf vist met een net, zoals Nabokovs vlindervanger.) De fotograaf baadt zijn toestel in de zinderende lavastroom van het licht; de tekenaar haalt het verkoolde grafiet eruit en maakt een plek waar hij noemt, wijst en duidt.’ 

*

WILT U DEZE GALERIJ BLIJVEN VOLGEN ?

vul dan uw emailadres in en meld u aan –
u krijgt éénmaal per drie maanden bericht.

vorige edities blog

startpagina (info & contact)

online galerij

Een vergeten tekst

In mijn essay over tekenkunst dat begin dit jaar werd gepubliceerd (en hier via de website verkrijgbaar is) citeerde ik enkele keren een tekst van de Vlaamse auteur, criticus en ‘cultuurjournalist’ Dirk Lauwaert. In de reacties op mijn boekje kwam naderhand de vraag naar voren waar die bijzondere tekst te vinden is. Ik vrees te moeten antwoorden: waarschijnlijk nergens.

Lauwaert heeft een groot en zeer divers oeuvre nagelaten, verspreid over duizenden publicaties. Het is niet onder een bepaalde noemer te vangen, omdat de schrijver een buitengewoon breed spectrum aan onderwerpen aansneed. Hij had een scherpe, originele visie op het gebied van mode, film, fotografie, beeldende kunst en architectuur, en maakte geen onderscheid tussen ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur. Eén van zijn leerlingen vroeg zich ooit vol bewondering af: ‘Wie schrijft er nu even goed over Marlene Dietrich als over Tiepolo, over Louise Bourgeois als over Vogue, over Goya en Manet als over King Kong?’

Vaak betreft het teksten die nu nauwelijks meer te vinden zijn, onder meer omdat veel ervan verscheen in kleine tijdschriften en dagbladen. Eén van die teksten gaat over tekenkunst en verscheen dertig jaar geleden in De betekenis van het tekenen, een boekje uitgegeven ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan van de Rijksakademie van beeldende kunsten te Amsterdam.

Jaren terug vond ik bij toeval nog een exemplaar ervan in een antiquariaat. De bijdrage van Lauwaert draagt de titel ‘Tekens lege beelden’ en is een van de mooiste teksten over tekenkunst die ik ken. Het is een zeldzaam voorbeeld van denkend schrijven, van gedachten die al schrijvend vorm kregen. Die gedachten zijn na drie decennia nog altijd de moeite waard; daarom laat ik hier uit dit bijna vergeten geschrift enkele fragmenten volgen, als hommage aan de in 2013 overleden auteur. 

*

Uit ‘Tekens lege beelden’ van Dirk Lauwaert:

‘Het instrument van het tekenen is een scherpe punt die een spoor nalaat. Je beweegt iets in de ruimte en het laat een bewijs achter, een verificatie van zijn doorgang: daar kwam het langs, dat liet het achter. Als het slijmspoor van een slak. Iedere beweging wordt vastgelegd, verraadt zo zichzelf. Iedereen ziet waar het potlood geweest is, op welke manier, wat het daar deed. Alles ligt open en bloot voor iedereen zichtbaar op het papier. Het resultaat is glorieus obsceen. Het hele proces ligt in een verbijsterende slow-motion op het papier. Iedere tekening is een radiografie van de act van het tekenen.’

‘De tekening is fundamenteel een spoor. Een spoor staat steeds centripetaal in een open, onbegrensd veld. Het ontvangt van dat veld geen enkele structurerende steun, geeft integendeel aan dat veld een centrum. (…) Een tekening schept niet uit het gevulde, maar bouwt in de leegte. Het is eerder een punctie, een peillood. Schilders kunnen weinig met leegte doen; hun ambitie is te vullen. Laten ze hun beeld deels ongevuld, dan is de associatie met tekenen er meteen. Fotografen werken met een instrument dat geen leegte kent: hun zoeker geeft ze altijd een van rand tot rand met informatie gevuld oppervlak. Het licht is immers niet ongelijk, maar gelijkmatig verdeeld: het is een homogeen milieu. Het tekenen is het heterogene bij uitstek.’

‘Tekenen doet men steeds in een open vlakte: het waait er altijd, het biedt geen enkele beschutting, maar wel een houvast. Zoals de intellectuele arbeid die er niet is om een huis te scheppen, maar om in de leegte een houvast te geven. De tekening is het merken van een onbegrensd landschap; het blad papier eindigt nergens. Iedere tekening is een soort land art en dus een vorm van magie’

‘Het tekenen is de oorzaak van zijn eigen voorwaarde. Een leeg blad is geen achtergrond, kent die categorie niet eens; pas door te tekenen wordt het blad iets radicaal anders, namelijk die achtergrond waartegen het als teken verschijnt. Tekenen is dus tekenen van de achtergrond, daar waar niet getekend wordt. Tekenaars zijn bij uitstek kunstenaars van de achtergrond. Achtergrond en oppervlak zijn de echo van de tekening, als de antipode van het affirmatieve merken.’ 

‘Fotografie is de radicale ontkenning want onmogelijkheid van het tekenen. Voor de fotograaf is de werkelijkheid een ongedifferentieerde deeg waarin hij schept, alleen het lepeltje van zijn lichtvanger is begrensd. De tekenaar heeft geen lepel, maar een punt. (Hij vist met een priem zoals Eskimo’s met een harpoen; de fotograaf vist met een net, zoals Nabokovs vlindervanger.) De fotograaf baadt zijn toestel in de zinderende lavastroom van het licht; de tekenaar haalt het verkoolde grafiet eruit en maakt een plek waar hij noemt, wijst en duidt.’ 

*

WILT U DEZE GALERIJ BLIJVEN VOLGEN ?

vul dan uw emailadres in en meld u aan –
u krijgt éénmaal per drie maanden bericht.