Fantasmagorieën (kunst als koopwaar)

 

Sinds de digitale revolutie is onze visuele omgeving radicaal veranderd. Kunstenaars zijn mensen geworden die beelden toevoegen aan een overvloed van beelden – beelden die voor iedereen overal en altijd beschikbaar zijn. Sommigen zien in deze realiteit het einde van de kunst: wat nog over is van haar autonomie zou nu voorgoed verloren gaan.

Toch is het bestaan van de kunst niet bepaald marginaal geworden of precair, als we tenminste afgaan op de triomf van de aantallen. Neem bijvoorbeeld de laatste Biënnale van Venetië, waar niet minder dan 615 duizend bezoekers werden geteld, bijna een kwart meer dan tijdens de editie van twee jaar geleden. Ook de Nederlandse musea kregen de afgelopen periode meer bezoekers te verwerken dan ooit tevoren. Die ongekende toename heeft een keerzijde: musea en internationale kunstmanifestaties worden ondernemingen in de toeristenindustrie. De symptomen zijn bekend: met veel publiciteit omgeven tentoonstellingen en events waarvan de thema’s en verhaallijnen mede zijn uitgedacht door bureaus voor citymarketing.       

De kunst, de politiek, het nieuws, zelfs de intiemste momenten van het persoonlijk leven, alles lijkt de gedaante aan te nemen van een nooit eindigend spektakel. Het is wat Guy Debord reeds lang voor de komst van Facebook en Instagram aanduidde als de ‘spektakelmaatschappij’, en wat Jean Baudrillard later omschreef als de ‘obsceniteit’ van onze cultuur. Hun beider inzichten zijn nu actueler dan ooit en zullen hierna zeker nog ter sprake komen, maar eerst wil ik terug naar een oudere denker, en wel de eerste die het spektakel-karakter van de moderne samenleving onderkende en analyseerde: Karl Marx.    

Marx beschrijft hoe de wereld destijds door de overrompelende invasie van koopwaar volledig van aanzien veranderde. Hij wijst er al op in de beroemde openingszin van Das Kapital: ‘De rijkdom van de samenlevingen waarin de kapitalistische productiewijze heerst, verschijnt als een enorme verzameling waren.’

Met die koopwaar nu, betoogt Marx, is iets vreemds aan de hand. Op het moment namelijk dat een ding op de markt verschijnt, dan houdt het op te bestaan als eenvoudig product van menselijke arbeid, of als een object dat alleen maar voor een bepaald gebruik bestemd is. Anders geformuleerd: zodra een gewoon zintuiglijk waarneembaar (‘sinnliches’) ding optreedt als koopwaar, dan verandert het in iets dat zowel zintuiglijk is als bovenzinnelijk (‘sinnlich übersinnlich’): in het zichtbare verschijnt iets dat zich aan het zicht onttrekt.

De warenvorm maakt van elk gebruiksvoorwerp dus een raadselachtig fenomeen. Marx noemt dit het fetisj-karakter van de waren, een term die hij ontleende aan de beschrijvingen van ‘primitieve’ religieuze idolen – idolen die de bovennatuurlijke machten niet alleen voorstellen, maar ook zelf belichamen: ‘sinnlich übersinnlich’.

Het fetisj- of raadselachtige karakter van de waren bestaat hierin, dat niets ervan ons nog herinnert aan hoe zij tot stand kwamen. Ze nemen de gedaante aan van pure ‘ruilwaarde’: een van menselijke arbeids- en gebruiksrelaties losgemaakte waarde die alleen nog betrekking lijkt te hebben op de verhouding tussen waren onderling. De zichtbare verschijning hiervan omschrijft Marx als fantasmagorisch: ‘het is een bepaalde maatschappelijke verhouding tussen de mensen zelf, die in hun ogen de fantasmagorische vorm aanneemt van een verhouding tussen voorwerpen.’

Maar wat betekent fantasmagorisch? Een fantasmagorie was in de negentiende eeuw een voorstelling met een toverlantaarn: in een als griezelig ervaren donkere ruimte keek men naar geprojecteerde beelden die soms ook bewogen, terwijl de magische lantaarn zelf, evenals de operateur, voor het publiek verborgen bleef. Met het woord ‘fantasmagorisch’ verwijst Marx dus niet alleen naar het fantastische effect van de voorstelling, maar ook naar de desoriëntatie van het publiek als gevolg van de duisternis waarin het zich bevond en de onzichtbaarheid van het achterliggende apparaat. De metafoor maakt duidelijk hoe de waren in het kapitalisme net als de vertoonde lichtbeelden een eigen spookachtig leven lijken te leiden – en hoe wij allemaal toeschouwers zijn geworden van een magisch spektakel.

Ook tegenwoordig beheerst de fantasmagorische schijn het aanzien van onze wereld, en wel in een mate die veel omvattender en complexer is dan Marx ooit heeft kunnen vermoeden. Kunstenaars hebben vanaf het begin de confrontatie hiermee moeten aangaan en de wijze waarop zij zich ertoe verhielden varieerde van kritische afwijzing tot totale overgave. Een bijzonder radicale positie werd al vroeg ingenomen door de dichter Baudelaire, die leefde in een tijd waarin de massale productie van waren nog nieuw was. Hij meende dat men er in de kunst naar zou moeten streven de scheiding van gebruikswaarde en ruilwaarde tot het uiterste door te voeren: het kunstwerk moest als het ware meer koopwaar dan koopwaar worden. Van de gebruikswaarde diende het zich af te keren, want kunst kon in de ogen van Baudelaire nooit utilitair zijn. Schoonheid was voor hem als een fantasmagorie: een ongrijpbaar en vluchtig verschijnsel.

Deze opmerkelijke visie werd een eeuw later met instemming aangehaald door Baudrillard, die ik hierboven al even noemde. Volgens deze filosoof heeft Baudelaire goed begrepen dat kunstenaars geen andere keuze hebben dan ‘datgene te versterken wat in de koopwaar nieuw, origineel, onverwacht en geniaal is.’ Ziedaar, schrijft Baudrillard, wat het kunstwerk moet zijn: ‘het moet alle eigenschappen aannemen van de shock, van het vreemde, verrassende, rusteloze, onvaste en zelfs auto-destructieve, het onmiddellijke en onwerkelijke eigen aan de koopwaar.’

Zo verandert het kunstwerk in absolute, op de spits gedreven koopwaar, meer koopwaar dan koopwaar: overgeleverd aan onbegrensde circulatie, los van alle gebruikswaarde en met als waarde zijn onbruikbaarheid.

 

(wordt vervolgd) 

REACTIES

Reacties worden op prijs gesteld – mail uw bijdrage naar wimkranendonk@xs4all.nl

 

WILT U DEZE GALERIJ BLIJVEN VOLGEN ?

vul dan uw emailadres in en meld u aan –
u krijgt éénmaal per drie maanden bericht.