Het naakte lichaam

 

In exposities van tekenkunst is tegenwoordig weinig werk te zien dat is gemaakt ‘naar de waarneming’, dus vanuit een directe observatie van de fysieke realiteit. Er is echter één uitzondering: het menselijk lichaam getekend naar levend model. Het naakt blijft hoe dan ook rondspoken in de kunst.

Alleen al in het korte bestaan van de Galerij van de tekenkunst (zie overzicht) hebben diverse kunstenaars ervoor gekozen één of meer modeltekeningen te presenteren. Wat daarbij opvalt is dat het menselijk naakt door hen niet als totaliteit wordt voorgesteld, maar gebroken, onthoofd, versplinterd, opgedeeld in stukken.

Neem de tekeningen van Roland Sohier, die deelnam aan de vorige editie van de Galerij van de tekenkunst. Zijn naakten vallen als het ware uiteen in de actie van het waarnemen – een waarneming die zich voltrekt in opeenvolgende momenten van tijd, gedurende welke de modellen niet stilstaan maar bewegen. Of neem de modeltekeningen van Sanne Dijkstra, waarop slechts delen van figuren te zien zijn – een torso, een rug, twee armen, een hand, een gebaar. Hetty van de Zande tekent vaak lichamen die elkaar  willekeurig doorsnijden, zet er soms letterlijk de schaar (of het mes) in en schakelt de delen dan op schijnbaar toevallige wijze aaneen. 

In haar essay The Body in Pieces interpreteert Linda Nochlin de gefragmenteerde weergave van het lichaam als een metafoor van het moderne. In die zin beschrijft zij een aantal voorbeelden uit de kunstgeschiedenis, van de scènes met onthoofdingen uit de Franse revolutie en Géricaults studies van menselijke ledematen tot de ‘afgesneden’ figuren in schilderijen van de impressionisten. Waar het gaat om ‘hedendaagse’ kunst (de tekst werd gepubliceerd in 1994 en verwijst o.m. naar werk van Louise Bourgeois, Cindy Sherman en Robert Mapplethorpe) is Nochlin echter minder stellig in haar duiding: lichaamsfragmenten fungeren soms als fetisj, soms als metonymia, en ook het concept ‘modern’ (modernity) zelf relativeert zij uiteindelijk als een complex van voortdurend verschuivende betekenissen.    

Enkele maanden na het verschijnen van dit essay vond in Venetië de grote tentoonstelling plaats ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de Biennale. Curator Jean Clair besloot voor zijn omvattende terugblik niet de opeenvolgende avant-gardes als uitgangspunt te nemen, maar het probleem van het menselijk lichaam – een keuze die, zo schreef hij, voor de hand lag waar het erom ging te reflecteren op een eeuw die geobsedeerd was door seksualiteit, ziekte en dood. De expositie liet zien hoe de manier waarop kunstenaars het lichaam voorstelden begon te veranderen met de komst van de fotografie en de röntgenfoto’s, door de voortgang van de medische wetenschap en de industriële technologie; hoe het lichaam in de totalitaire jaren dertig geïdealiseerd werd en hoe het daarna, in de tweede helft van de eeuw, via vele metamorfoses gedeformeerd en versplinterd terugkeerde.    

Het waren jaren waarin men nog maar juist afscheid had genomen van het modernisme en het besef doordrong dat de menselijke figuur in de kunst van de voorbije eeuw wellicht belangrijker was geweest dan men lange tijd had willen zien. Het werd echter ook duidelijk hoe moeilijk het is geworden voor de mens om zichzelf af te beelden, en het lichaam (of de eigen identiteit) voor te stellen als een ongedeeld geheel.

Voor het idee van een chaotisch lichaam, dat ophoudt een eenheid (organisme) te zijn, gebruikte Gilles Deleuze de uitdrukking ‘lichaam zonder organen’. In zijn boek over Francis Bacon schrijft hij dat deze kunstenaar nooit ophield ‘lichamen zonder organen’ te schilderen. En in het boek L’image-temps (na L’image-mouvement zijn tweede grote studie over de filmkunst) benadrukt Deleuze hoe immens belangrijk de houdingen en gedragingen van het lichaam zijn geworden in de contemporaine film, en hoe het ook daar een meervoudige gedaante aanneemt. Het lichaam, schrijft hij, is nooit in het nu, het omvat altijd het ervóór en erna – de vermoeidheid, de verwachting.

En het denken? Het denken, zegt de filosoof, moet neerdalen in het lichaam om het niet-gedachte te bereiken. ‘Niet dat het lichaam denkt, maar het dwingt wel tot denken – en het dwingt datgene te denken wat zich aan de gedachte onttrekt: het leven.’

Maar in het dagelijks verkeer houden wij het lichaam omhuld, alsof het een geheim betrof. Er blijft altijd iets verborgen: dat wat we zijn, ons naakte zelf. Tegelijkertijd zijn we omringd door een cultuur die geen geheim tolereert, een cultuur die alles publiek maakt en alles op obscene wijze toont. De kunst, die het verborgene zoekt en het naakte wil verbeelden, die kunst is al lang een onderdeel geworden van de creatieve industrie. Onherroepelijk maakt zij deel uit van een alomtegenwoordige obscene cultuur. In de volgende aflevering zal het allereerst daarover moeten gaan.    

 

(wordt vervolgd) 

REACTIES

Reacties worden op prijs gesteld – mail uw bijdrage naar wimkranendonk@xs4all.nl

 

WILT U DEZE GALERIJ BLIJVEN VOLGEN ?

vul dan uw emailadres in en meld u aan –
u krijgt éénmaal per drie maanden bericht.