Het verraad der beelden

Byung-Chul Han is een Koreaans-Duitse filosoof die bekendheid kreeg door zijn scherpe, uiterst kritische visie op onze huidige cultuur en het digitale kapitalisme. Hij heeft ook zijn licht laten schijnen op de kunst, en het is de moeite waard om kennis te nemen van wat hij daarover te zeggen heeft. 

Om te beginnnen keert hij zich af van de tegenwoordig veel gehoorde opvatting dat kunst een ‘discours’, een betoog zou zijn. Want als dat waar was, schrijft de filosoof, dan zouden kunstwerken transparant zijn ten opzichte van hun betekenis. En dat zijn ze niet.

Kunst is geen ‘discours’. In een kunstwerk zijn het de vormen die spreken, en de taal van vormen kenmerkt zich door verdichting, complexiteit, overdrijving, dubbelzinnigheid en zelfs tegenstrijdigheid, wat betekenis-volheid kan suggereren maar nooit rechtstreeks tot betekenis herleid kan worden.

De termen waarmee Byung-Chul Han zijn punt maakt ontleent hij aan de semiotiek of tekenleer. Deze houdt in dat elk teken uit twee delen bestaat: ten eerste de vorm, drager of betekenaar (signifier), en ten tweede datgene waar die vorm of drager naar verwijst: het betekende (the signified). Rood licht in het verkeer is bijvoorbeeld de betekenaar, en de verplichting te stoppen is het betekende; samen vormen zij een teken.

Kunstwerken nu zijn volgens de filosoof onvolledige tekens. Ze werken als betekenaars, dus als betekenisdragende vormen, maar missen het andere element: dat wat betekend wordt. Ze produceren hun effecten door middel van signifiers, niet door the signified.

Hoe moeten we ons dat voorstellen? Laat ik een voorbeeld nemen dat iedereen kent: het schilderij La trahison des images (het verraad der beelden) van Magritte. Het stelt een pijp voor met de tekst: Ceci n’est pas une pipe (Dit is geen pijp).

Magritte, La trahison des images 1929

Wanneer we proberen de betekenis hiervan te begrijpen (en daar vraagt het kunstwerk om) dan zouden we ons om te beginnen kunnen afvragen waar het beeld precies naar verwijst, met andere woorden: wat is the signified van deze signifier? Is hier een pijp afgebeeld? En zo ja, wat voor een pijp? De pijp van Magritte ? Van zijn vader? En is dat object dan zelf ook wellicht weer een betekenisdrager? Wijst het naar de persoon achter de pijp?

Maar nee, deze pijp is te neutraal, te onpersoonlijk voorgesteld. Tegen een lege achtergrond is hij geheel naar de kijker gekeerd, zoals een object dat te koop wordt aangeboden. Ceci n’est pas une pipe: het is inderdaad geen pijp die we zien, maar het is evenmin een afbeelding van een pijp. Althans niet van een werkelijke pijp. Eerder gaat het om een afbeelding van een afbeelding, of beter: van een bepaalde categorie afbeeldingen.

De manier waarop het voorwerp met begeleidende tekst is weergegeven vertoont veel gelijkenis met illustraties die Magritte gezien kan hebben in een catalogus van rookartikelen:   

Catalogus van de ‘Pfeifenfabrik Schweina’ 1922 – 1945

Hebben we nu dan de sleutel voor een interpretatie? Wordt de pijp hier getoond in zijn hoedanigheid van koopwaar, en refereert het schilderij misschien aan wat Marx het fetisjkarakter van de waren noemde?

Nee, dat kan het ook niet zijn. Want de fameuze tekstregel Ceci n’est pas une pipe is uitgevoerd in een opvallend schools handschrift dat totaal niet overeenkomt met de zakelijke stijl van een verkoopcatalogus. Bij nader inzien doet het schilderij van Magritte dan ook eerder denken aan een pagina uit een schoolboek.   

Als signifier fungeert de tekstregel bovendien op twee verschillende niveau’s: een zichtbaar niveau, als visuele betekenisdrager (de letters maken deel uit van het beeld) en een leesbaar niveau dat verwijst naar de woorden (klankvormen) die op hun beurt weer betekenis dragen. En ook dat tweede, verbale niveau is dubbelzinnig, want waar wijst het woordje ‘Dit’ in de zin ‘Dit is geen pijp’ eigenlijk naar? Naar de pijp in het schilderij? Naar het doek waarop de pijp geschilderd is? Naar de tekstregel zelf?       

De manier waarop hier het begrijpen mislukt is exemplarisch. Want in de kunst zijn het alleen de vormen die spreken, en de taal van vormen is dubbelzinnig en complex. Byung-Chul Han noemt die vormen signifiers. Kunstwerken, zegt hij, produceren hun effecten door signifiers, niet door the signified.

Door termen uit de semiotiek te gebruiken vergelijkt hij kunstwerken met tekens, en dat is verhelderend: het maakt duidelijk in welk opzicht kunstwerken op tekens lijken, en ook hoe zij ervan verschillen. Tekens zijn vormen, klanken of voorwerpen die zich laten begrijpen. Dat is mogelijk dankzij hun context: alleen in de context van het verkeer begrijpen wij rood licht als een stopteken.

Kunstenaars echter scheppen juist afstand tot context, alleen zo kan hun werk kunst worden. Want kunst is een ruimte die zich losmaakt uit de dagelijkse realiteit. Omdat het kunstwerk context mist kan het geen compleet teken zijn.

Maar evenmin is het een nietszeggend ding, een ding dus dat we niet eens kunnen proberen te begrijpen. Het was een oudere filosoof, Adorno, die naast de vergelijking met tekens ook een vergelijking maakte met de gewone dingen buiten de kunst. Hij situeerde kunstwerken in een gebied tussen de dingen en de tekens: het kunstwerk, schreef hij, is nog niet helemaal een teken, maar het is ook geen in zichzelf rustend ding meer.

Dit soort vergelijkingen zijn eenvoudige filosofische denkfiguren die kunnen helpen om grip te krijgen op een moeilijke materie. Kunstwerken doen iets: ze maken stromen van associaties los. Anders dan de gewone, toevallige dingen willen ze geïnterpreteerd, begrepen worden. Maar door geen van die interpretaties of associaties laten ze zich vangen. Wat we ons er ook bij voorstellen, ze laten het van zich afglijden en blijven onverstoorbaar waar ze zijn: aanlokkelijk, vreemd, ondoorgrondelijk.

En die ondoorgrondelijkheid is nooit bij voorbaat gegeven: zij openbaart zich pas tijdens en door het mislukken van onze poging tot begrijpen. We zien dan plotseling hoe het kunstwerk zich terugtrekt in zijn materiaal en vreemd wordt.

Kunstwerken, met andere woorden, maken een bijzondere ervaring mogelijk. Een ervaring die alleen zij kunnen bieden en die tot niets anders herleid kan worden. Sommigen noemen het een ervaring van schoonheid.

WILT U DEZE GALERIJ BLIJVEN VOLGEN ?

vul dan uw emailadres in en meld u aan –
u krijgt éénmaal per drie maanden bericht.

vorige edities blog

startpagina (info & contact)

online galerij

Het verraad der beelden

Byung-Chul Han is een Koreaans-Duitse filosoof die bekendheid kreeg door zijn scherpe, uiterst kritische visie op onze huidige cultuur en het digitale kapitalisme. Hij heeft ook zijn licht laten schijnen op de kunst, en het is de moeite waard om kennis te nemen van wat hij daarover te zeggen heeft. 

Om te beginnnen keert hij zich af van de tegenwoordig veel gehoorde opvatting dat kunst een ‘discours’, een betoog zou zijn. Want als dat waar was, schrijft de filosoof, dan zouden kunstwerken transparant zijn ten opzichte van hun betekenis. En dat zijn ze niet.

Kunst is geen ‘discours’. In een kunstwerk zijn het de vormen die spreken, en de taal van vormen kenmerkt zich door verdichting, complexiteit, overdrijving, dubbelzinnigheid en zelfs tegenstrijdigheid, wat betekenis-volheid kan suggereren maar nooit rechtstreeks tot betekenis herleid kan worden.

De termen waarmee Byung-Chul Han zijn punt maakt ontleent hij aan de semiotiek of tekenleer. Deze houdt in dat elk teken uit twee delen bestaat: ten eerste de vorm, drager of betekenaar (signifier), en ten tweede datgene waar die vorm of drager naar verwijst: het betekende (the signified). Rood licht in het verkeer is bijvoorbeeld de betekenaar, en de verplichting te stoppen is het betekende; samen vormen zij een teken.

Kunstwerken nu zijn volgens de filosoof onvolledige tekens. Ze werken als betekenaars, dus als betekenisdragende vormen, maar missen het andere element: dat wat betekend wordt. Ze produceren hun effecten door middel van signifiers, niet door the signified.

Hoe moeten we ons dat voorstellen? Laat ik een voorbeeld nemen dat iedereen kent: het schilderij La trahison des images (het verraad der beelden) van Magritte. Het stelt een pijp voor met de tekst: Ceci n’est pas une pipe (Dit is geen pijp).

Magritte, La trahison des images 1929

Wanneer we proberen de betekenis hiervan te begrijpen (en daar vraagt het kunstwerk om) dan zouden we ons om te beginnen kunnen afvragen waar het beeld precies naar verwijst, met andere woorden: wat is the signified van deze signifier? Is hier een pijp afgebeeld? En zo ja, wat voor een pijp? De pijp van Magritte ? Van zijn vader? En is dat object dan zelf ook wellicht weer een betekenisdrager? Wijst het naar de persoon achter de pijp?

Maar nee, deze pijp is te neutraal, te onpersoonlijk voorgesteld. Tegen een lege achtergrond is hij geheel naar de kijker gekeerd, zoals een object dat te koop wordt aangeboden. Ceci n’est pas une pipe: het is inderdaad geen pijp die we zien, maar het is evenmin een afbeelding van een pijp. Althans niet van een werkelijke pijp. Eerder gaat het om een afbeelding van een afbeelding, of beter: van een bepaalde categorie afbeeldingen.

De manier waarop het voorwerp met begeleidende tekst is weergegeven vertoont veel gelijkenis met illustraties die Magritte gezien kan hebben in een catalogus van rookartikelen:   

Catalogus van de ‘Pfeifenfabrik Schweina’ 1922-1945

Hebben we nu dan de sleutel voor een interpretatie? Wordt de pijp hier getoond in zijn hoedanigheid van koopwaar, en refereert het schilderij misschien aan wat Marx het fetisjkarakter van de waren noemde?

Nee, dat kan het ook niet zijn. Want de fameuze tekstregel Ceci n’est pas une pipe is uitgevoerd in een opvallend schools handschrift dat totaal niet overeenkomt met de zakelijke stijl van een verkoopcatalogus. Bij nader inzien doet het schilderij van Magritte dan ook eerder denken aan een pagina uit een schoolboek.   

Als signifier fungeert de tekstregel bovendien op twee verschillende niveau’s: een zichtbaar niveau, als visuele betekenisdrager (de letters maken deel uit van het beeld) en een leesbaar niveau dat verwijst naar de woorden (klankvormen) die op hun beurt weer betekenis dragen. En ook dat tweede, verbale niveau is dubbelzinnig, want waar wijst het woordje ‘Dit’ in de zin ‘Dit is geen pijp’ eigenlijk naar? Naar de pijp in het schilderij? Naar het doek waarop de pijp geschilderd is? Naar de tekstregel zelf?       

De manier waarop hier het begrijpen mislukt is exemplarisch. Want in de kunst zijn het alleen de vormen die spreken, en de taal van vormen is dubbelzinnig en complex. Byung-Chul Han noemt die vormen signifiers. Kunstwerken, zegt hij, produceren hun effecten door signifiers, niet door the signified.

Door termen uit de semiotiek te gebruiken vergelijkt hij kunstwerken met tekens, en dat is verhelderend: het maakt duidelijk in welk opzicht kunstwerken op tekens lijken, en ook hoe zij ervan verschillen. Tekens zijn vormen, klanken of voorwerpen die zich laten begrijpen. Dat is mogelijk dankzij hun context: alleen in de context van het verkeer begrijpen wij rood licht als een stopteken.

Kunstenaars echter scheppen juist afstand tot context, alleen zo kan hun werk kunst worden. Want kunst is een ruimte die zich losmaakt uit de dagelijkse realiteit. Omdat het kunstwerk context mist kan het geen compleet teken zijn.

Maar evenmin is het een nietszeggend ding, een ding dus dat we niet eens kunnen proberen te begrijpen. Het was een oudere filosoof, Adorno, die naast de vergelijking met tekens ook een vergelijking maakte met de gewone dingen buiten de kunst. Hij situeerde kunstwerken in een gebied tussen de dingen en de tekens: het kunstwerk, schreef hij, is nog niet helemaal een teken, maar het is ook geen in zichzelf rustend ding meer.

Dit soort vergelijkingen zijn eenvoudige filosofische denkfiguren die kunnen helpen om grip te krijgen op een moeilijke materie. Kunstwerken doen iets: ze maken stromen van associaties los. Anders dan de gewone, toevallige dingen willen ze geïnterpreteerd, begrepen worden. Maar door geen van die interpretaties of associaties laten ze zich vangen. Wat we ons er ook bij voorstellen, ze laten het van zich afglijden en blijven onverstoorbaar waar ze zijn: aanlokkelijk, vreemd, ondoorgrondelijk.

En die ondoorgrondelijkheid is nooit bij voorbaat gegeven: zij openbaart zich pas tijdens en door het mislukken van onze poging tot begrijpen. We zien dan plotseling hoe het kunstwerk zich terugtrekt in zijn materiaal en vreemd wordt.

Kunstwerken, met andere woorden, maken een bijzondere ervaring mogelijk. Een ervaring die alleen zij kunnen bieden en die tot niets anders herleid kan worden. Sommigen noemen het een ervaring van schoonheid.

WILT U DEZE GALERIJ BLIJVEN VOLGEN ?

vul dan uw emailadres in en meld u aan –
u krijgt éénmaal per drie maanden bericht.