Het wonderlijke, en het vernietigen van ideeën

 
In de vorige editie bracht ik een veel gehoorde veronderstelling ter sprake. Het betreft een opvatting die regelmatig te lezen is in de kunstkritiek, en die ook dit jaar weer opdook in diverse artikelen over exposities van tekenkunst. Tekenaars zouden op papier slechts vorm geven aan iets dat al aanwezig is in hun hoofd: een gedachte, een fantasie, iets dat hoe dan ook bestaat in hun geest. Tekenkunst, met andere woorden, zou net als wetenschap thuishoren in een wereld van ideeën.

Ik betoogde dat hier sprake is van een misverstand. Tekeningen ontstaan namelijk niet in het hoofd, maar op papier. Met die opmerking besloot ik mijn artikel. Er volgde al snel een uitvoerige reactie van beeldend kunstenaar Guus Swuste, die benadrukte dat het niet gaat om wat de tekenaar in zijn hoofd heeft, noch om wat hij waarneemt in de buitenwereld: ‘Ikzelf zou eerder willen zeggen dat het gaat om iets dat ‘stil’ is. Iets dat niet waarneembaar is, waar geen woorden voor zijn.’ Hij verwees onder meer naar een bijzondere ervaring die hem tijdens het tekenen overkwam, en die hij omschreef als ‘een verlies van ruimte en tijd’.

Zijn woorden deden mij denken aan een verklaring van de kunstenaar die dit najaar in Kunstvereniging Diepenheim exposeert, Sebastian Schlicher. Op zijn website schrijft hij: ‘Creation is the destruction of ideas. You have to get rid of everything in your head, all the garbage, to clear a path and surprise and excite yourself about what you’re doing.’ Het leeg worden van de geest kan dus een ronduit destructief gebeuren zijn: het houdt de verwijdering in van alle vervuiling in het hoofd – voorstellingen, woorden, ideeën.

Wat deze leegte, deze afwezigheid van ruimte en tijd precies betekent is nauwelijks voor te stellen. Wijsgerige teksten, geschreven vanuit verre contexten, helpen soms om wat dichter bij te komen. Laten we beginnen met Kant, die erop heeft gewezen dat ‘ruimte’ en ‘tijd’ nooit als zodanig kunnen worden waargenomen – integendeel, zij maken waarneming pas mogelijk. Het zijn vooropgestelde noties waarmee wij de manier ordenen waarop de wereld aan ons verschijnt. Alleen hierdoor zijn begrippen en is kennis mogelijk. Met andere woorden: wie ruimte en tijd verliest, verliest niet alleen zijn oriëntatie, maar ook zijn verstand.

Dat is dus wat in het geding is bij het maken van kunst: het verstand kwijtraken, het vermogen tot weten en begrijpen. Een vreemde, onmogelijke opgave. En toch gaat het om een uiterst belangrijke ervaring, die in de oudheid al bekend was. Plato schreef dat men, zolang men nog in het bezit is van zijn verstand, niet tot dichten in staat is. In een dialoog met de voordrachtskunstenaar Ion laat hij Sokrates zeggen dat dichters alleen dan kunnen dichten wanneer zij door een god gegrepen zijn en zich in een staat van Dionysische vervoering (mania) bevinden – dus wanneer het verstand niet meer bij hen is.

Het ontstaan van een gedicht (de oorsprong van het verrassende, nieuwe, datgene waar een kunstenaar zich voor open stelt) werd in de oudheid nog ver buiten de mens zelf gelokaliseerd. Het waren de goden die via de dichters de menselijke geest beroerden. Sindsdien heeft die geheimzinnige oorsprong een lange reis gemaakt, tot hij door de Surrealisten ontdekt werd in een ander uiteinde van het universum, namelijk in ons diepste innerlijk. Van hemelse hoogten naar de diepten van de ziel: het lijkt een geweldige revolutie, maar dat is slechts schijn. Nog steeds gaat het om een ongrijpbaar gebied buiten het bereik van ruimte en tijd.

Waar het kunstwerk begint, heeft het verstand geen toegang. Die oude ervaring leek te zijn teruggekeerd in het hart van de moderne kunstpraktijk. Het was Breton die in 1924 schreef: ‘Het wonderlijke is mooi, het wonderlijke is altijd mooi, alleen het wonderlijke is mooi.’ Hij riep dit met een zo grote overtuiging dat zijn woorden nog altijd moeilijk te weerspreken zijn. Maar zijn verwijzingen naar Freud zijn inmiddels minder actueel geworden: het geloof aan het onbewuste als bron van het kunstenaarschap heeft, net als het geloof aan de goden, zijn kracht verloren.

Nu het ontstaan van kunstwerken niet meer in de hemel gedacht kan worden, noch in de diepere lagen van de psyche, wordt het tenslotte naderbij gezocht: in het hoofd van de kunstenaar, in zijn of haar intieme gedachten en bizarre fantasieën. Minder romantische ideologen spreken liever over een wereld van ideeën, bij voorkeur gevoed door onderzoek, en open naar wetenschap en industrie. De kunst echter laat zich zo niet vangen, zij blijft vreemd en onrustig, want creatie is de vernietiging van ideeën.

(wordt vervolgd)

 
REACTIES

Reacties worden op prijs gesteld – mail uw bijdrage naar wimkranendonk@xs4all.nl
 
WILT U DEZE GALERIJ BLIJVEN VOLGEN ?

vul dan uw emailadres in en meld u aan –
u krijgt éénmaal per drie maanden bericht.