Kunst in enkelvoud (over basis en bovenbouw) 

In de loop van de negentiende en vroege twintigste eeuw veranderde het oude Europa in een industriële maatschappij met nieuwe vormen van menselijke activiteit. De traditionele ambachten en het daarbij horende vakmanschap maakten plaats voor eentonig fabriekswerk, arbeid werd opgesplitst in meetbare deeltaken die eindeloos moesten worden herhaald. Werkers werden getraind om een duidelijk omschreven handeling uit te voeren, en wel zo efficiënt mogelijk.  

Later werd die eenzijdige training ietwat verbreed en nog weer later verfijnd tot het aanleren van wat men tegenwoordig omschrijft als competenties. Wie nu met succes wil deelnemen aan de maatschappij moet zich specifieke competenties eigen maken. Leerlingen in het beroepsonderwijs leren de competenties die nodig zijn om een bepaald beroep uit te oefenen. De Universiteit Leiden werkt met leiderschapscompetenties. Competent worden, in staat zijn een taak uit te voeren, een handeling te laten slagen, gaat niet vanzelf: het is iets dat moet worden geoefend en aangeleerd.

Dat leren is echter nooit genoeg. Het staat altijd onder druk van de snel veranderende eisen op de arbeidsmarkt en van een digitale infrastructuur die alomtegenwoordig is en voortdurend nieuwe vaardigheden vraagt.

Er is ook een probleem van andere aard: geen handeling lukt door kunnen alleen. Voor het gelukken van ons handelen is nog iets nodig, iets waar de competentiemaatschappij geen vat op heeft. Want in de praktijk wordt men onvermijdelijk geconfronteerd met toeval – het onberekenbare, grillige toeval waarop ingespeeld moet worden. Dat is het moment waarop men plotseling meer doet (en iets anders doet) dan men geleerd heeft. Men put dan uit onvermoede krachten.

Voordat mensen door oefening kunnen deelnemen aan sociale praktijken hebben zij namelijk al krachten die niet zijn aangeleerd. Die krachten (bijvoorbeeld verbeeldingskracht) werken vanzelf, zonder dat men er controle over heeft. Ze hebben geen doel en hoeven niet te slagen. Men hoeft er niets voor te ‘kunnen’. Alleen dankzij die krachten kan ons handelen slagen. En alleen vanuit het vrije spel van onbewuste krachten kunnen wij het bewuste handelen leren. Want leren begint bij spelen.

Er bestaat dus een vorm van activiteit die radicaal verschilt van het doelbewuste handelen. Een activiteit die het mogelijk maakt in te spelen op het onverwachte. En het model van dat andere bezig zijn is in onze samenleving de kunstenaar.

In de voorbije, niet-kapitalistische wereld bestond kunst alleen in meervoud. Er waren verschillende kunsten, elk met eigen voorschriften en regels, elk met een specifieke plaats en functie in de sociale hiërarchie. Dit veranderde pas in het Engeland van de achttiende eeuw, waar technische veranderingen leidden tot een complete transformatie van de productiemethoden, en dus ook van de samenleving als geheel.

In die tijd ging men volkomen anders denken over kunstenaars en hun plaats in de maatschappij. De verschillende kunsten (schilderkunst, muziek, dans, poëzie, theater enz.) werden nu gezien als praktijken die iets met elkaar gemeen hebben, iets waardoor zij zich onderscheiden van alle andere menselijke aktiviteiten – iets dat ze tot kunst maakt. Zo werd de tegenwoordige kunstenaar geboren.

Zeker, ook bij het maken van kunst zijn competenties nodig. Niet zelden volgen kunstenaars een tevoren besloten procedé, een consequente werkwijze. Maar wat het werk dan uiteindelijk tot kunst maakt hangt niet zozeer af van een vakkundig afgelegd traject als wel van iets onvoorspelbaars dat niet doelbewust werd nagestreefd. De wijze waarop een kunstwerk tot stand komt kan dan ook nooit worden herhaald, kan niet worden opgenomen in een productieproces.

Kunstenaars, met andere woorden, doen iets dat in het moderne productieproces ontbreekt. Hun productiewijze is complementair aan die van de overige maatschappij. Dat is de reden waarom de kunst zoals zij sinds de industriële revolutie vorm kreeg nog steeds gemaakt wordt en niet verdwijnt. Daarom ook verandert zij niet zomaar van karakter wanneer dat wenselijk wordt geacht: kunst komt niet als gewenst. Integendeel, zij blijft op paradoxale wijze beantwoorden aan de culturele logica van een kapitalistisch georganiseerde samenleving.

WILT U DEZE GALERIJ BLIJVEN VOLGEN ?

vul dan uw emailadres in en meld u aan –
u krijgt éénmaal per drie maanden bericht.

vorige edities blog

online galerij

startpagina (info & contact)

Kunst in enkelvoud (over basis en bovenbouw) 

In de loop van de negentiende en vroege twintigste eeuw veranderde het oude Europa in een industriële maatschappij met nieuwe vormen van menselijke activiteit. De traditionele ambachten en het daarbij horende vakmanschap maakten plaats voor eentonig fabriekswerk, arbeid werd opgesplitst in meetbare deeltaken die eindeloos moesten worden herhaald. Werkers werden getraind om een duidelijk omschreven handeling uit te voeren, en wel zo efficiënt mogelijk.  

Later werd die eenzijdige training ietwat verbreed en nog weer later verfijnd tot het aanleren van wat men tegenwoordig omschrijft als competenties. Wie nu met succes wil deelnemen aan de maatschappij moet zich specifieke competenties eigen maken. Leerlingen in het beroepsonderwijs leren de competenties die nodig zijn om een bepaald beroep uit te oefenen. De Universiteit Leiden werkt met leiderschapscompetenties. Competent worden, in staat zijn een taak uit te voeren, een handeling te laten slagen, gaat niet vanzelf: het is iets dat moet worden geoefend en aangeleerd.

Dat leren is echter nooit genoeg. Het staat altijd onder druk van de snel veranderende eisen op de arbeidsmarkt en van een digitale infrastructuur die alomtegenwoordig is en voortdurend nieuwe vaardigheden vraagt.

Er is ook een probleem van andere aard: geen handeling lukt door kunnen alleen. Voor het gelukken van ons handelen is nog iets nodig, iets waar de competentiemaatschappij geen vat op heeft. Want in de praktijk wordt men onvermijdelijk geconfronteerd met toeval – het onberekenbare, grillige toeval waarop ingespeeld moet worden. Dat is het moment waarop men plotseling meer doet (en iets anders doet) dan men geleerd heeft. Men put dan uit onvermoede krachten.

Voordat mensen door oefening kunnen deelnemen aan sociale praktijken hebben zij namelijk al krachten die niet zijn aangeleerd. Die krachten (bijvoorbeeld verbeeldingskracht) werken vanzelf, zonder dat men er controle over heeft. Ze hebben geen doel en hoeven niet te slagen. Men hoeft er niets voor te ‘kunnen’. Alleen dankzij die krachten kan ons handelen slagen. En alleen vanuit het vrije spel van onbewuste krachten kunnen wij het bewuste handelen leren. Want leren begint bij spelen.

Er bestaat dus een vorm van activiteit die radicaal verschilt van het doelbewuste handelen. Een activiteit die het mogelijk maakt in te spelen op het onverwachte. En het model van dat andere bezig zijn is in onze samenleving de kunstenaar.

In de voorbije, niet-kapitalistische wereld bestond kunst alleen in meervoud. Er waren verschillende kunsten, elk met eigen voorschriften en regels, elk met een specifieke plaats en functie in de sociale hiërarchie. Dit veranderde pas in het Engeland van de achttiende eeuw, waar technische veranderingen leidden tot een complete transformatie van de productiemethoden, en dus ook van de samenleving als geheel.

In die tijd ging men volkomen anders denken over kunstenaars en hun plaats in de maatschappij. De verschillende kunsten (schilderkunst, muziek, dans, poëzie, theater enz.) werden nu gezien als praktijken die iets met elkaar gemeen hebben, iets waardoor zij zich onderscheiden van alle andere menselijke aktiviteiten – iets dat ze tot kunst maakt. Zo werd de tegenwoordige kunstenaar geboren.

Zeker, ook bij het maken van kunst zijn competenties nodig. Niet zelden volgen kunstenaars een tevoren besloten procedé, een consequente werkwijze. Maar wat het werk dan uiteindelijk tot kunst maakt hangt niet zozeer af van een vakkundig afgelegd traject als wel van iets onvoorspelbaars dat niet doelbewust werd nagestreefd. De wijze waarop een kunstwerk tot stand komt kan dan ook nooit worden herhaald, kan niet worden opgenomen in een productieproces.

Kunstenaars, met andere woorden, doen iets dat in het moderne productieproces ontbreekt. Hun productiewijze is complementair aan die van de overige maatschappij. Dat is de reden waarom de kunst zoals zij sinds de industriële revolutie vorm kreeg nog steeds gemaakt wordt en niet verdwijnt. Daarom ook verandert zij niet zomaar van karakter wanneer dat wenselijk wordt geacht: kunst komt niet als gewenst. Integendeel, zij blijft op paradoxale wijze beantwoorden aan de culturele logica van een kapitalistisch georganiseerde samenleving.

WILT U DEZE GALERIJ BLIJVEN VOLGEN ?

vul dan uw emailadres in en meld u aan –
u krijgt éénmaal per drie maanden bericht.