Post-medium en the nature of art

Alweer heel wat jaren geleden, in 1979, verscheen het nog altijd interessante essay Sculpture in the Expanded Field van Rosalind Krauss. De Newyorkse kunsthistorica signaleerde een reeks opmerkelijke zaken die zich destijds voordeden onder de noemer sculptuur: nauwe gangen met aan het einde TV schermen, foto’s die wandeltochten documenteren, spiegels onder vreemde hoeken in heel gewone kamers, tijdelijke lijnen in de bodem van de woestijn, gaten in de grond. “Niets”, schreef zij, “lijkt aan zulke uiteenlopende pogingen het recht te geven een claim te leggen op de categorie sculptuur, wat men daaronder ook moge verstaan. Tenzij die categorie vrijwel eindeloos kneedbaar gemaakt kan worden.”  

Naarmate de zestiger jaren overgingen in de jaren zeventig, en “sculptuur” een berg katoenafval op de vloer begon te zijn, of tonnen aarde afkomstig uit de woestijn, of palissaden omringd door vuurplaatsen, werd het steeds moeilijker, betoogt Krauss, om het woord sculptuur uit te spreken. We staren, schrijft zij, naar een gat in de grond en denken dat we weten en tegelijk niet weten wat sculptuur is.

Maar, stelt zij dan, we weten heel goed wat sculptuur is. Eén van de dingen die we weten is dat het geen universele categorie is, maar een historisch bepaalde conventie. En zoals iedere conventie heeft ook de sculptuur haar eigen interne logica, een eigen geheel van regels die, hoewel toepasbaar op een grote verscheidenheid aan situaties, zelf niet open staan voor veel verandering. Op een gegeven moment in de recente geschiedenis trad de sculptuur dan ook buiten die eigen regels en begaf zich in een andere “logische ruimte” ofwel een wijder, uitgebreider veld: een expanded field.

Het idee van een expanded field komt ook tot uitdrukking in de titel Beyond Drawing, waarmee de afgelopen zomer een internationale expositie van tekenkunst werd gepresenteeerd. Beide kunsten, de sculptuur veertig jaar geleden en de tekenkunst nu, lijken hun grenzen op te zoeken en gebieden te bezetten die zich voordien buiten het eigen medium, buiten de eigen conventie bevonden.

Tekenen wordt driedimensionaal, zo stond te lezen in de catalogus van Beyond Drawing – tekenen wordt sculptuur. De deelnemende kunstenaars toonden werk dat uit het platte vlak de ruimte in komt, of geheel ruimtelijk is geconstrueerd, en zich dus inderdaad lijkt te gedragen als sculptuur. Het woord sculptuur echter, zo leert ons Rosalind Krauss, is tegenwoordig nauwelijks nog uit te spreken.

Geen medium kan geheel autonoom bestaan, dus zonder datgene wat het niet is. Toen Frank Stella schilderijen begon te maken die alleen nog naar de essentie van het eigen picturale medium leken te verwijzen (“men ziet wat men ziet”), leidde dat tot een resultaat waarin juist het omgekeerde gebeurde. Het schilderij (en het was Donald Judd die het zo formuleerde) werd een object, net als elk ander driedimensionaal ding. Er was niets waardoor schilderkunst zich nog onderscheidde van sculptuur – het verschil tussen beide kunsten als aparte media was verdwenen.

De werken die hieruit voortkwamen waren geen schilderijen, geen sculpturen, maar objecten waarin het specifieke van een medium was opgeheven. De kunstenaar Joseph Kosuth trok hieruit de conclusie dat kunstwerken voortaan niet meer konden gaan over de essentie van het eigen medium, maar alleen nog over de essentie van de kunst in het algemeen: “Being an artist now means to question the nature of art.”    

Maar die “nature of art” of veronderstelde essentie bestaat niet: ook de kunst in het algemeen is een historische conventie. De gedachte dat zoiets bestaat als “de” kunst is namelijk relatief recent. Het is pas zo’n tweehonderd jaar geleden dat men de diverse kunsten (met hun totaal verschillende praktijken) ging beschouwen als behorend tot een gemeenschappelijk en overkoepelend domein: dat van de kunst.

En ook dat overkoepelende kunst-domein kan niet bestaan zonder steeds weer in zich op te nemen wat haar vreemd is, zonder de permanente transformatie naar een expanded field, een andere “logische ruimte”. Of, vrij naar Rancière: niet-kunst breekt voortdurend binnen, en eist haar plaats op in het hart van wat nadien zal worden gezien als kunst.

WILT U DEZE GALERIJ BLIJVEN VOLGEN ?

vul dan uw emailadres in en meld u aan –
u krijgt éénmaal per drie maanden bericht.

vorige edities blog

startpagina (info & contact)

online galerij

Post-medium en the nature of art

Alweer heel wat jaren geleden, in 1979, verscheen het nog altijd interessante essay Sculpture in the Expanded Field van Rosalind Krauss. De Newyorkse kunsthistorica signaleerde een reeks opmerkelijke zaken die zich destijds voordeden onder de noemer sculptuur: nauwe gangen met aan het einde TV schermen, foto’s die wandeltochten documenteren, spiegels onder vreemde hoeken in heel gewone kamers, tijdelijke lijnen in de bodem van de woestijn, gaten in de grond. “Niets”, schreef zij, “lijkt aan zulke uiteenlopende pogingen het recht te geven een claim te leggen op de categorie sculptuur, wat men daaronder ook moge verstaan. Tenzij die categorie vrijwel eindeloos kneedbaar gemaakt kan worden.”  

Naarmate de zestiger jaren overgingen in de jaren zeventig, en “sculptuur” een berg katoenafval op de vloer begon te zijn, of tonnen aarde afkomstig uit de woestijn, of palissaden omringd door vuurplaatsen, werd het steeds moeilijker, betoogt Krauss, om het woord sculptuur uit te spreken. We staren, schrijft zij, naar een gat in de grond en denken dat we weten en tegelijk niet weten wat sculptuur is.

Maar, stelt zij dan, we weten heel goed wat sculptuur is. Eén van de dingen die we weten is dat het geen universele categorie is, maar een historisch bepaalde conventie. En zoals iedere conventie heeft ook de sculptuur haar eigen interne logica, een eigen geheel van regels die, hoewel toepasbaar op een grote verscheidenheid aan situaties, zelf niet open staan voor veel verandering. Op een gegeven moment in de recente geschiedenis trad de sculptuur dan ook buiten die eigen regels en begaf zich in een andere “logische ruimte” ofwel een wijder, uitgebreider veld: een expanded field.

Het idee van een expanded field komt ook tot uitdrukking in de titel Beyond Drawing, waarmee de afgelopen zomer een internationale expositie van tekenkunst werd gepresenteeerd. Beide kunsten, de sculptuur veertig jaar geleden en de tekenkunst nu, lijken hun grenzen op te zoeken en gebieden te bezetten die zich voordien buiten het eigen medium, buiten de eigen conventie bevonden.

Tekenen wordt driedimensionaal, zo stond te lezen in de catalogus van Beyond Drawing – tekenen wordt sculptuur. De deelnemende kunstenaars toonden werk dat uit het platte vlak de ruimte in komt, of geheel ruimtelijk is geconstrueerd, en zich dus inderdaad lijkt te gedragen als sculptuur. Het woord sculptuur echter, zo leert ons Rosalind Krauss, is tegenwoordig nauwelijks nog uit te spreken.

Geen medium kan geheel autonoom bestaan, dus zonder datgene wat het niet is. Toen Frank Stella schilderijen begon te maken die alleen nog naar de essentie van het eigen picturale medium leken te verwijzen (“men ziet wat men ziet”), leidde dat tot een resultaat waarin juist het omgekeerde gebeurde. Het schilderij (en het was Donald Judd die het zo formuleerde) werd een object, net als elk ander driedimensionaal ding. Er was niets waardoor schilderkunst zich nog onderscheidde van sculptuur – het verschil tussen beide kunsten als aparte media was verdwenen.

De werken die hieruit voortkwamen waren geen schilderijen, geen sculpturen, maar objecten waarin het specifieke van een medium was opgeheven. De kunstenaar Joseph Kosuth trok hieruit de conclusie dat kunstwerken voortaan niet meer konden gaan over de essentie van het eigen medium, maar alleen nog over de essentie van de kunst in het algemeen: “Being an artist now means to question the nature of art.”    

Maar die “nature of art” of veronderstelde essentie bestaat niet: ook de kunst in het algemeen is een historische conventie. De gedachte dat zoiets bestaat als “de” kunst is namelijk relatief recent. Het is pas zo’n tweehonderd jaar geleden dat men de diverse kunsten (met hun totaal verschillende praktijken) ging beschouwen als behorend tot een gemeenschappelijk en overkoepelend domein: dat van de kunst.

En ook dat overkoepelende kunst-domein kan niet bestaan zonder steeds weer in zich op te nemen wat haar vreemd is, zonder de permanente transformatie naar een expanded field, een andere “logische ruimte”. Of, vrij naar Rancière: niet-kunst breekt voortdurend binnen, en eist haar plaats op in het hart van wat nadien zal worden gezien als kunst.

WILT U DEZE GALERIJ BLIJVEN VOLGEN ?

vul dan uw emailadres in en meld u aan –
u krijgt éénmaal per drie maanden bericht.