Publiek belang en bestaansrecht

Iets meer dan tweehonderd jaar geleden begon een nieuw idee over kunst post te vatten in Europa. Men raakte ervan overtuigd dat het belang van kunstwerken groter was dan dat van hun individuele makers en opdrachtgevers. Wat kunstenaars produceren, zo dacht men, openbaart iets van de tijd en de samenleving waar zij deel van uitmaken.

Een gedachte die daar logisch uit volgde was dat vrije burgers het historische recht hadden toegang te krijgen tot de kunstcollecties van koningen en prinsen. Als kunstwerken de uitdrukking zijn van een collectief leven, dan vertegenwoordigen zij dus een publiek patrimonium, een erfgoed dat publiek eigendom zou moeten zijn.

In de eeuw die volgde nam het openbare belang dat aan de kunsten werd toegekend steeds grotere vormen aan. Er werden prestigieuze schouwburgen, opera’s en musea gebouwd. De nieuwe opvattingen werden ook op filosofisch en kunsttheoretisch niveau verder verfijnd en onderbouwd. Hegel leerde dat kunstenaars niets minder zijn dan instrumenten van de tijdgeest: zij brengen tot uitdrukking wat onafhankelijk van hun persoon historisch noodzakelijk is. En in navolging van de grote filosoof stelde ook Heinrich Wölfflin, destijds een van de invloedrijkste kunsthistorici, dat kunstwerken niet alleen een expressie zijn van persoonlijk temperament, maar ook van de stemming en de wereldbeschouwing van een tijd en een volk.

Het waren de catastrofen van de twintigste eeuw (wereldoorlogen, holocaust) die tenslotte aan veel zekerheden een einde maakten. Het geloof in een hoger belang van de kunst werd onherroepelijk aan het wankelen gebracht – allereerst door de kunstenaars zelf (te beginnen met Dada), later ook door het kunsthistorisch denken, de kunstfilosofie en uiteindelijk door een cynische politiek-economische ideologie.   

In een klassiek geworden tekst, verschenen in 1968, distantieerde de gerenommeerde kunsthistoricus Ernst Gombrich zich van de opvatting dat iedere kunststijl uitdrukking zou zijn van een bepaalde tijd. Zijn belangrijkste argument was dat aan die opvatting een vooropgesteld idee ten grondslag lag, een a priori, namelijk dat alles wat in een gegeven periode gebeurt onderdeel zou zijn van een groot, samenhangend geheel. Hij stelde vast dat een dergelijke holistische aanname wetenschappelijk niet te verdedigen is.

De consequentie hiervan is dat een periode nooit als een eenheid gezien kan worden. Er vinden altijd vele geschiedenissen tegelijk plaats, zonder onderlinge hiërarchie of samenhang. Een gemeenschappelijke noemer of tijdgeest bestaat dus niet en ook de kunstgeschiedenis kan alleen nog in meervoud worden gedacht.

Niet lang na de publicatie van dit belangrijke essay overleed in Zwitserland de filosoof Theodor Adorno. In een posthume uitgave verscheen enkele jaren later zijn Ästhetische Theorie, meer dan 500 pagina’s met wijsgerige beschouwingen over het wezen, de betekenis en de functie van de kunsten. Het indrukwekkende werk begint met een nuchtere constatering, kort geformuleerd in de openingszin: “Het is vanzelfsprekend geworden dat niets wat de kunst betreft nog vanzelfsprekend is, noch in haarzelf, noch in haar verhouding tot het geheel, zelfs niet haar bestaansrecht.” 

De twijfel over het bestaansrecht van kunst heeft sindsdien plaats gemaakt voor de zekerheid van een neoliberale cultuurpolitiek, die aan kunstenaars recht van bestaan toekent voor zover zij als ondernemers optreden in de creatieve industrie. De oude overtuiging dat hun werk een verder reikend publiek belang zou vertegenwoordigen maakt al lang niet meer deel uit van de tijdgeest. De kunsten zijn teruggeworpen op zichzelf en lijken hooguit nog verkoopbaar als vermaak, luxe en verwennerij van de geest.

Intussen wordt vanuit de Nederlandse kunstwereld op een machteloze, bijna wanhopige wijze steeds weer de eigen sociale relevantie geponeerd. Zo benadrukte Joram Kraaijveld, docent kunsttheorie aan de Gerrit Rietveld Academie, onlangs nog in het tijdschrift Metropolis M hoe belangrijk het is “om de waarde van de kunst in de samenleving te bevestigen: kunst moet als wezenlijk worden beschouwd voor het functioneren van een democratie, doordat kunst laat zien dat alles ook anders kan.”    

Ik denk niet dat een dergelijke bezwering veel zal helpen, en geloof evenmin dat kunst nuttig kan zijn voor het democratisch, of om het even welk maatschappelijk functioneren. Zoals ik ook niet geloof wat jarenlang verkondigd werd in landelijke, provinciale en gemeentelijke cultuurnota’s, namelijk dat deelname aan kunst en cultuur zou bijdragen tot sociale cohesie en integratie.

Kunst dient geen politiek doel, genereert geen bruikbare kennis, biedt geen praktisch voordeel. Haar werking beweegt zich eerder in omgekeerde richting – en precies daar ligt haar onbedwingbare subversieve kracht, haar kolossale belang. 

 

(wordt vervolgd) 

REACTIES

Reacties worden op prijs gesteld – mail uw bijdrage naar wimkranendonk@xs4all.nl

 

WILT U DEZE GALERIJ BLIJVEN VOLGEN ?

vul dan uw emailadres in en meld u aan –
u krijgt éénmaal per drie maanden bericht.