vorige edities blog
startpagina (info & contact)
online galerij
Reservaten voor romantici
Rond het jaar 1970, toen ik student was aan de Arnhemse kunstacademie, hing boven de entreehal van het door Rietveld ontworpen gebouw een spandoek met de tekst:
KUNSTAKADEMIES ZIJN RESERVATEN VOOR UITSTERVENDE ROMANTICI
Ik geloof dat die woorden afkomstig waren van Henk Peters, een docent die samen met onder meer Armando en Jan Schoonhoven initiator was geweest van de Nederlandse Nul-beweging. Hoe dan ook, de provocerende tekst drukte perfect uit wat in die jaren van politieke onrust door velen werd gevoeld: de wenselijkheid van een andere kunst – niet een kunst van romantische dromers maar een wapen in de strijd. Onze helden waren John Heartfield en Walter Benjamin.
Nu, een halve eeuw later, staat op een gevel van dezelfde kunstakademie (tegenwoordig ArtEZ) in grote letters opnieuw een tekst te lezen:
ART IS THE MOTHER OF RESISTANCE
De status van deze tekst is echter van een heel andere orde. Ditmaal gaat het niet om een spandoek van tijdelijke aard, een spontane provocatie van rebelse studenten, maar om een prominent geplaatst permanent kunstwerk dat eigendom is van de hogeschool. De roep om een strijdbare kunst is blijkbaar geïnstitutionaliseerd, onderdeel geworden van de raison d’ être van het kunstinstituut.
De behoefte van instituten, curatoren en critici om het eigen bestaan maatschappelijk te legitimeren vertaalt zich in de hernieuwde utopie van een andere kunst – een kunst die urgente verhalen vertelt, kennis produceert, processen in gang zet, resistance genereert. Deze tendens is onder meer zichtbaar in de soms ambitieuze thema’s van recente tentoonstellingen en de nadruk die wordt gelegd op de culturele context van de getoonde werken en de identiteit van de makers.
Intussen leert het jaarlijkse eindexamenwerk van onze kunstopleidingen dat de romantici nog lang niet zijn uitgestorven. Het lijkt er dan ook niet op dat we snel een nieuwe politieke kunst – een kunst dus die politiek is maar kunst blijft – zullen zien opbloeien.
Over de (on)mogelijkheid van een dergelijke kunst werd in een niet zo heel ver verleden een idee geformuleerd dat de moeite waard is om hier te vermelden. Het gaat om een overweging van Fredric Jameson, een denker van inmiddels 87 jaar oud, vermaard filosoof, literatuurcriticus en auteur van verschillende magistrale boeken over de veranderende cultuur ten tijde van het multinationale kapitalisme.
Ieder van ons, schrijft Jameson, ervaart maar een klein hoekje van de wereld. De waarheid van de beperkte dagelijkse ervaring van een inwoner van, bijvoorbeeld, Londen ligt eerder in India, Jamaica of Hong Kong; die ervaring is verbonden met het hele koloniale systeem van het Britse Rijk dat de kwaliteit bepaalt van het subjectieve leven van een individu. Dergelijke structurele coördinaten zijn echter voor de meeste mensen niet eens voorstelbaar. Het is voor individuën vrijwel onmogelijk geworden zich een beeld te vormen van de wereldwijde sociale ruimte waarin zij leven. Dit leidt tot een verwarring die verlammend werkt.
Jameson maakt dan een interessante vergelijking, en wel met de wijze waarop men een grote stad beleeft. Anders gezegd: met de wisselwerking (de dialectiek) tussen het hier en nu van de onmiddellijke waarneming en de voorstelling die men heeft van de stad als afwezige totaliteit. De vervreemde stad, schrijft hij, is een ruimte waarin mensen niet in staat zijn om hun eigen positie, of de stedelijke totaliteit waarin ze zich bevinden, mentaal in kaart te brengen. De duidelijkste voorbeelden zijn steden zoals Jersey City, die een eindeloos grid vormen zonder traditionele orientatiepunten zoals monumenten of natuurlijke grenzen.
Opheffen van de vervreemding houdt dan in het terugveroveren van een zin voor plaats en het (re)construeren van een ‘gearticuleerd ensemble’ dat in het geheugen kan worden vastgehouden en dat men zich op alle momenten van verplaatsing steeds voor de geest kan halen.
Stel nu, betoogt Jameson, dat die mentale kaart (cognitive map) van de stedelijke ruimte wordt uitvergroot of geextrapoleerd naar de sociale totaliteit die we allemaal in ons hoofd ronddragen. Dat zou een manier zijn om het individu in staat te stellen zich een voorstelling te vormen van hoe het gesitueerd is ten opzichte van het grotere, en in feite onvoorstelbare, geheel van de maatschappelijke structuur.
Alleen de kunst zou dit kunnen doen. Want het gaat hier om verbeelding: om het verbeelden van de relatie tussen de individuele ervaring en de condities waar die ervaring door wordt gedomineerd. Het gaat dus niet om kennis, niet om wetenschappelijke analyse, niet om abstact weten. Jameson beweert niet dat de wereldruimte van het multinationale kapitaal niet kenbaar zou zijn; alleen dat die ruimte niet voorstelbaar is, en dat is iets heel anders.
Wat hij wenselijk acht is dus een politieke kunst van cognitive mapping. En hij voegt er aan toe: die kunst bestaat (nog) niet. Als ze al mogelijk is, schrijft hij, dan gaat het om een esthetiek ‘waarvan ik zelf absoluut niet in staat ben te raden, of mij voor te stellen, welke vorm zij zal hebben.’
Belangrijk nu is het onderscheid dat hij maakt tussen vorm en inhoud. Want als het alleen zou gaan om de inhoud, dan kunnen we ons daar van alles bij voorstellen: in heel wat kunstwerken zijn ook nu al woorden, beelden of objecten verwerkt die expliciet verwijzen naar bijvoorbeeld kolonialiteit, uitbuiting of klimaatverandering. Maar alleen de inhoud is niet voldoende. Een nieuwe politieke kunst, stelt Jameson, zal moeten doorbreken naar een voorstellingswijze waar we ons nu nog geen beeld van kunnen vormen – een wijze van voorstellen van het onvoorstelbare.
Wat Jameson schrijft over cognitive mapping maakt twee dingen duidelijk. Ten eerste dat op scherpzinnige wijze gefilosofeerd kan worden over een kunstvorm die vanuit sociaal of politiek gezichtspunt wenselijk zou zijn. En ten tweede dat een dergelijk wenselijk model altijd utopisch zal zijn, dat wil zeggen alleen denkbaar in een onbereikbare toekomst.
Alicia Framis gaf haar kunstwerk Art is the mother of resistance een sterke utopische lading mee. In het tijdschrif Metropolis M werd de tekst vervolgens omschreven als een ‘stevige uitspraak’, niet alleen van de kunstenaar zelf maar ook van ArtEZ, het instituut dat het werk aan de gevel plaatste. Zo werd een kunstwerk in tekstvorm (een open, poëtisch beeld) opgevat als een statement van de opleiding – een omkering geheel in lijn met de tijdgeest. Daardoor werden het lege woorden, want nieuwe kunst laat zich niet proclameren en komt nooit als gewenst.
WILT U DEZE GALERIJ BLIJVEN VOLGEN ?
vul dan uw emailadres in en meld u aan –
u krijgt éénmaal per drie maanden bericht.
vorige edities blog
online galerij
startpagina (info & contact)
Reservaten voor romantici
Rond het jaar 1970, toen ik student was aan de Arnhemse kunstacademie, hing boven de entreehal van het door Rietveld ontworpen gebouw een spandoek met de tekst:
KUNSTAKADEMIES ZIJN RESERVATEN VOOR UITSTERVENDE ROMANTICI
Ik geloof dat die woorden afkomstig waren van Henk Peters, een docent die samen met onder meer Armando en Jan Schoonhoven initiator was geweest van de Nederlandse Nul-beweging. Hoe dan ook, de provocerende tekst drukte perfect uit wat in die jaren van politieke onrust door velen werd gevoeld: de wenselijkheid van een andere kunst – niet een kunst van romantische dromers maar een wapen in de strijd. Onze helden waren John Heartfield en Walter Benjamin.
Nu, een halve eeuw later, staat op een gevel van dezelfde kunstakademie (tegenwoordig ArtEZ) in grote letters opnieuw een tekst te lezen:
ART IS THE MOTHER OF RESISTANCE
De status van deze tekst is echter van een heel andere orde. Ditmaal gaat het niet om een spandoek van tijdelijke aard, een spontane provocatie van rebelse studenten, maar om een prominent geplaatst permanent kunstwerk dat eigendom is van de hogeschool. De roep om een strijdbare kunst is blijkbaar geïnstitutionaliseerd, onderdeel geworden van de raison d’ être van het kunstinstituut.
De behoefte van instituten, curatoren en critici om het eigen bestaan maatschappelijk te legitimeren vertaalt zich in de hernieuwde utopie van een andere kunst – een kunst die urgente verhalen vertelt, kennis produceert, processen in gang zet, resistance genereert. Deze tendens is onder meer zichtbaar in de soms ambitieuze thema’s van recente tentoonstellingen en de nadruk die wordt gelegd op de culturele context van de getoonde werken en de identiteit van de makers.
Intussen leert het jaarlijkse eindexamenwerk van onze kunstopleidingen dat de romantici nog lang niet zijn uitgestorven. Het lijkt er dan ook niet op dat we snel een nieuwe politieke kunst – een kunst dus die politiek is maar kunst blijft – zullen zien opbloeien.
Over de (on)mogelijkheid van een dergelijke kunst werd in een niet zo heel ver verleden een idee geformuleerd dat de moeite waard is om hier te vermelden. Het gaat om een overweging van Fredric Jameson, een denker van inmiddels 87 jaar oud, vermaard filosoof, literatuurcriticus en auteur van verschillende magistrale boeken over de veranderende cultuur ten tijde van het multinationale kapitalisme.
Ieder van ons, schrijft Jameson, ervaart maar een klein hoekje van de wereld. De waarheid van de beperkte dagelijkse ervaring van een inwoner van, bijvoorbeeld, Londen ligt eerder in India, Jamaica of Hong Kong; die ervaring is verbonden met het hele koloniale systeem van het Britse Rijk dat de kwaliteit bepaalt van het subjectieve leven van een individu. Dergelijke structurele coördinaten zijn echter voor de meeste mensen niet eens voorstelbaar. Het is voor individuën vrijwel onmogelijk geworden zich een beeld te vormen van de wereldwijde sociale ruimte waarin zij leven. Dit leidt tot een verwarring die verlammend werkt.
Jameson maakt dan een interessante vergelijking, en wel met de wijze waarop men een grote stad beleeft. Anders gezegd: met de wisselwerking (de dialectiek) tussen het hier en nu van de onmiddellijke waarneming en de voorstelling die men heeft van de stad als afwezige totaliteit. De vervreemde stad, schrijft hij, is een ruimte waarin mensen niet in staat zijn om hun eigen positie, of de stedelijke totaliteit waarin ze zich bevinden, mentaal in kaart te brengen. De duidelijkste voorbeelden zijn steden zoals Jersey City, die een eindeloos grid vormen zonder traditionele orientatiepunten zoals monumenten of natuurlijke grenzen.
Opheffen van de vervreemding houdt dan in het terugveroveren van een zin voor plaats en het (re)construeren van een ‘gearticuleerd ensemble’ dat in het geheugen kan worden vastgehouden en dat men zich op alle momenten van verplaatsing steeds voor de geest kan halen.
Stel nu, betoogt Jameson, dat die mentale kaart (cognitive map) van de stedelijke ruimte wordt uitvergroot of geextrapoleerd naar de sociale totaliteit die we allemaal in ons hoofd ronddragen. Dat zou een manier zijn om het individu in staat te stellen zich een voorstelling te vormen van hoe het gesitueerd is ten opzichte van het grotere, en in feite onvoorstelbare, geheel van de maatschappelijke structuur.
Alleen de kunst zou dit kunnen doen. Want het gaat hier om verbeelding: om het verbeelden van de relatie tussen de individuele ervaring en de condities waar die ervaring door wordt gedomineerd. Het gaat dus niet om kennis, niet om wetenschappelijke analyse, niet om abstact weten. Jameson beweert niet dat de wereldruimte van het multinationale kapitaal niet kenbaar zou zijn; alleen dat die ruimte niet voorstelbaar is, en dat is iets heel anders.
Wat hij wenselijk acht is dus een politieke kunst van cognitive mapping. En hij voegt er aan toe: die kunst bestaat (nog) niet. Als ze al mogelijk is, schrijft hij, dan gaat het om een esthetiek ‘waarvan ik zelf absoluut niet in staat ben te raden, of mij voor te stellen, welke vorm zij zal hebben.’
Belangrijk nu is het onderscheid dat hij maakt tussen vorm en inhoud. Want als het alleen zou gaan om de inhoud, dan kunnen we ons daar van alles bij voorstellen: in heel wat kunstwerken zijn ook nu al woorden, beelden of objecten verwerkt die expliciet verwijzen naar bijvoorbeeld kolonialiteit, uitbuiting of klimaatverandering. Maar alleen de inhoud is niet voldoende. Een nieuwe politieke kunst, stelt Jameson, zal moeten doorbreken naar een voorstellingswijze waar we ons nu nog geen beeld van kunnen vormen – een wijze van voorstellen van het onvoorstelbare.
Wat Jameson schrijft over cognitive mapping maakt twee dingen duidelijk. Ten eerste dat op scherpzinnige wijze gefilosofeerd kan worden over een kunstvorm die vanuit sociaal of politiek gezichtspunt wenselijk zou zijn. En ten tweede dat een dergelijk wenselijk model altijd utopisch zal zijn, dat wil zeggen alleen denkbaar in een onbereikbare toekomst.
Alicia Framis gaf haar kunstwerk Art is the mother of resistance een sterke utopische lading mee. In het tijdschrif Metropolis M werd de tekst vervolgens omschreven als een ‘stevige uitspraak’, niet alleen van de kunstenaar zelf maar ook van ArtEZ, het instituut dat het werk aan de gevel plaatste. Zo werd een kunstwerk in tekstvorm (een open, poëtisch beeld) opgevat als een statement van de opleiding – een omkering geheel in lijn met de tijdgeest. Daardoor werden het lege woorden, want nieuwe kunst laat zich niet proclameren en komt nooit als gewenst.
WILT U DEZE GALERIJ BLIJVEN VOLGEN ?
vul dan uw emailadres in en meld u aan –
u krijgt éénmaal per drie maanden bericht.
vorige edities blog
startpagina (info & contact)
online galerij
Reservaten voor romantici
Rond het jaar 1970, toen ik student was aan de Arnhemse kunstacademie, hing boven de entreehal van het door Rietveld ontworpen gebouw een spandoek met de tekst:
KUNSTAKADEMIES ZIJN RESERVATEN VOOR UITSTERVENDE ROMANTICI
Ik geloof dat die woorden afkomstig waren van Henk Peters, een docent die samen met onder meer Armando en Jan Schoonhoven initiator was geweest van de Nederlandse Nul-beweging. Hoe dan ook, de provocerende tekst drukte perfect uit wat in die jaren van politieke onrust door velen werd gevoeld: de wenselijkheid van een andere kunst – niet een kunst van romantische dromers maar een wapen in de strijd. Onze helden waren John Heartfield en Walter Benjamin.
Nu, een halve eeuw later, staat op een gevel van dezelfde kunstakademie (tegenwoordig ArtEZ) in grote letters opnieuw een tekst te lezen:
ART IS THE MOTHER OF RESISTANCE
De status van deze tekst is echter van een heel andere orde. Ditmaal gaat het niet om een spandoek van tijdelijke aard, een spontane provocatie van rebelse studenten, maar om een prominent geplaatst permanent kunstwerk dat eigendom is van de hogeschool. De roep om een strijdbare kunst is blijkbaar geïnstitutionaliseerd, onderdeel geworden van de raison d’ être van het kunstinstituut.
De behoefte van instituten, curatoren en critici om het eigen bestaan maatschappelijk te legitimeren vertaalt zich in de hernieuwde utopie van een andere kunst – een kunst die urgente verhalen vertelt, kennis produceert, processen in gang zet, resistance genereert. Deze tendens is onder meer zichtbaar in de soms ambitieuze thema’s van recente tentoonstellingen en de nadruk die wordt gelegd op de culturele context van de getoonde werken en de identiteit van de makers.
Intussen leert het jaarlijkse eindexamenwerk van onze kunstopleidingen dat de romantici nog lang niet zijn uitgestorven. Het lijkt er dan ook niet op dat we snel een nieuwe politieke kunst – een kunst dus die politiek is maar kunst blijft – zullen zien opbloeien.
Over de (on)mogelijkheid van een dergelijke kunst werd in een niet zo heel ver verleden een idee geformuleerd dat de moeite waard is om hier te vermelden. Het gaat om een overweging van Fredric Jameson, een denker van inmiddels 87 jaar oud, vermaard filosoof, literatuurcriticus en auteur van verschillende magistrale boeken over de veranderende cultuur ten tijde van het multinationale kapitalisme.
Ieder van ons, schrijft Jameson, ervaart maar een klein hoekje van de wereld. De waarheid van de beperkte dagelijkse ervaring van een inwoner van, bijvoorbeeld, Londen ligt eerder in India, Jamaica of Hong Kong; die ervaring is verbonden met het hele koloniale systeem van het Britse Rijk dat de kwaliteit bepaalt van het subjectieve leven van een individu. Dergelijke structurele coördinaten zijn echter voor de meeste mensen niet eens voorstelbaar. Het is voor individuën vrijwel onmogelijk geworden zich een beeld te vormen van de wereldwijde sociale ruimte waarin zij leven. Dit leidt tot een verwarring die verlammend werkt.
Jameson maakt dan een interessante vergelijking, en wel met de wijze waarop men een grote stad beleeft. Anders gezegd: met de wisselwerking (de dialectiek) tussen het hier en nu van de onmiddellijke waarneming en de voorstelling die men heeft van de stad als afwezige totaliteit. De vervreemde stad, schrijft hij, is een ruimte waarin mensen niet in staat zijn om hun eigen positie, of de stedelijke totaliteit waarin ze zich bevinden, mentaal in kaart te brengen. De duidelijkste voorbeelden zijn steden zoals Jersey City, die een eindeloos grid vormen zonder traditionele orientatiepunten zoals monumenten of natuurlijke grenzen.
Opheffen van de vervreemding houdt dan in het terugveroveren van een zin voor plaats en het (re)construeren van een ‘gearticuleerd ensemble’ dat in het geheugen kan worden vastgehouden en dat men zich op alle momenten van verplaatsing steeds voor de geest kan halen.
Stel nu, betoogt Jameson, dat die mentale kaart (cognitive map) van de stedelijke ruimte wordt uitvergroot of geextrapoleerd naar de sociale totaliteit die we allemaal in ons hoofd ronddragen. Dat zou een manier zijn om het individu in staat te stellen zich een voorstelling te vormen van hoe het gesitueerd is ten opzichte van het grotere, en in feite onvoorstelbare, geheel van de maatschappelijke structuur.
Alleen de kunst zou dit kunnen doen. Want het gaat hier om verbeelding: om het verbeelden van de relatie tussen de individuele ervaring en de condities waar die ervaring door wordt gedomineerd. Het gaat dus niet om kennis, niet om wetenschappelijke analyse, niet om abstact weten. Jameson beweert niet dat de wereldruimte van het multinationale kapitaal niet kenbaar zou zijn; alleen dat die ruimte niet voorstelbaar is, en dat is iets heel anders.
Wat hij wenselijk acht is dus een politieke kunst van cognitive mapping. En hij voegt er aan toe: die kunst bestaat (nog) niet. Als ze al mogelijk is, schrijft hij, dan gaat het om een esthetiek ‘waarvan ik zelf absoluut niet in staat ben te raden, of mij voor te stellen, welke vorm zij zal hebben.’
Belangrijk nu is het onderscheid dat hij maakt tussen vorm en inhoud. Want als het alleen zou gaan om de inhoud, dan kunnen we ons daar van alles bij voorstellen: in heel wat kunstwerken zijn ook nu al woorden, beelden of objecten verwerkt die expliciet verwijzen naar bijvoorbeeld kolonialiteit, uitbuiting of klimaatverandering. Maar alleen de inhoud is niet voldoende. Een nieuwe politieke kunst, stelt Jameson, zal moeten doorbreken naar een voorstellingswijze waar we ons nu nog geen beeld van kunnen vormen – een wijze van voorstellen van het onvoorstelbare.
Wat Jameson schrijft over cognitive mapping maakt twee dingen duidelijk. Ten eerste dat op scherpzinnige wijze gefilosofeerd kan worden over een kunstvorm die vanuit sociaal of politiek gezichtspunt wenselijk zou zijn. En ten tweede dat een dergelijk wenselijk model altijd utopisch zal zijn, dat wil zeggen alleen denkbaar in een onbereikbare toekomst.
Alicia Framis gaf haar kunstwerk Art is the mother of resistance een sterke utopische lading mee. In het tijdschrif Metropolis M werd de tekst vervolgens omschreven als een ‘stevige uitspraak’, niet alleen van de kunstenaar zelf maar ook van ArtEZ, het instituut dat het werk aan de gevel plaatste. Zo werd een kunstwerk in tekstvorm (een open, poëtisch beeld) opgevat als een statement van de opleiding – een omkering geheel in lijn met de tijdgeest. Daardoor werden het lege woorden, want nieuwe kunst laat zich niet proclameren en komt nooit als gewenst.
WILT U DEZE GALERIJ BLIJVEN VOLGEN ?
vul dan uw emailadres in en meld u aan –
u krijgt éénmaal per drie maanden bericht.