vorige edities blog
startpagina (info & contact)
online galerij
Schets en fragment: over onvoltooidheid
Zo’n tweeënhalve eeuw geleden werd het oude systeem van gevestigde kunsten door grote maatschappelijke veranderingen abrupt onderuit gehaald. Het begon in Engeland, waar technische vernieuwingen leidden tot een complete transformatie van de productiemethoden en dus ook van de samenleving als geheel. De oude vormen van kunstproduktie en de daarbij horende sociale structuren verdwenen, en daarmee ook het overgeleverde waardensysteem.
Met de opheffing van de traditionele gilden voltrok zich een enorme verandering in het leven van kunstenaars. Tot voor kort hadden zij als lid van een gilde altijd een vaste plaats in de maatschappij, wisten wat er van ze verwacht werd en waren zeker van opdrachten. In de jaren na de Franse Revolutie werd dat allemaal afgeschaft. Opdrachtgevers maakten plaats voor willekeurige kopers, kunstenaars werden elkaars concurrenten.
Teruggeworpen op zichzelf en op de markt zochten veel kunstenaars steun en inspiratie bij elkaar. Overal in Europa vormden zich kleine, informele groepen van vakgenoten, lotgenoten. Er ontstonden kunstenaarskringen. Gezamenlijke tentoonstellingen en wederzijds atelierbezoek waren situaties waarin men elkaars werk van dichtbij volgde – waar gediscussieerd werd, waar ideeën geboren werden, vonken oversloegen.
Men ging anders denken over kunstenaars en hun plaats in de maatschappij. De verschillende conventionele kunsten, ooit elk met eigen voorschriften en regels, elk met een specifieke plaats en functie in de sociale hiërarchie, ging men nu beschouwen als praktijken die iets met elkaar gemeen hebben, iets waardoor zij zich onderscheiden van alle andere menselijke aktiviteiten – iets dat ze tot kunst maakt. Zo ontstond de moderne notie van een souvereine, autonome kunst.
De zojuist verworven vrijheid resulteerde echter ook in een probleem van legitimiteit. Want de enige autoriteit waar kunstenaars nog naar konden verwijzen was die van hun eigen kunstenaarschap, ofwel, in de gebruikelijke term van die tijd: het eigen genie.
Het genie werd opgevat als een kracht werkzaam in de kunstenaar – een zichzelf genererende (dus autonome) kracht, vergelijkbaar met de groei- en kiemkracht in de natuur. Het ging dus om iets dat groter was dan de kunstenaar zelf: in het rusteloze mentale proces dat voortdurend nieuwe beelden produceert manifesteerde zich, zo dacht men, niets minder dan de oneindige scheppingskracht van de natuur. Kunstenaars zagen zich daarmee voor een dilemma geplaatst, want die nooit eindigende creativiteit kon onmogelijk worden uitgedrukt in een eindige creatie. Voortaan zou een kunstwerk alleen nog fragment kunnen zijn, onvolledige aanduiding, schets.
Het kunstwerk als voltooid product werd dus geproblematiseerd en het fragmentarische werd tot essentie verheven. Toen Eugène Delacroix (1798 – 1863) werken tentoonstelde in de vorm van geschilderde schetsen ondervond hij veel onbegrip en kritiek; maar wat zijn tijdgenoten als onvoltooid beschouwden was in zijn visie juist datgene waarin het scheppingsproces zichtbaar werd. Latere generaties omarmden dit revolutionaire idee en maakten de schets tot het ultieme model van de kunsten.
Ook in de tekenkunst kreeg de schets nieuwe betekenis als het zichtbare spoor van een eindeloos creatief proces. En hoewel de filosofische lading die er in de negentiende eeuw aan gegeven werd inmiddels ietwat aan gewicht heeft ingeboet, werkt die verschoven betekenis nog altijd door – niet alleen in het werk van veel hedendaagse kunstenaars, maar ook in de manier waarop tegenwoordig aan de kunst van het tekenen een specifieke kwaliteit wordt toegedicht.
Op dit onderwerp zal ik terugkomen in mijn essay over de tekenkunst, waarvan de verschijning in het komend najaar te verwachten is.
WILT U DEZE GALERIJ BLIJVEN VOLGEN ?
vul dan uw emailadres in en meld u aan –
u krijgt éénmaal per drie maanden bericht.
vorige edities blog
online galerij
startpagina (info & contact)
Schets en fragment: over onvoltooidheid
Zo’n tweeënhalve eeuw geleden werd het oude systeem van gevestigde kunsten door grote maatschappelijke veranderingen abrupt onderuit gehaald. Het begon in Engeland, waar technische vernieuwingen leidden tot een complete transformatie van de productiemethoden en dus ook van de samenleving als geheel. De oude vormen van kunstproduktie en de daarbij horende sociale structuren verdwenen, en daarmee ook het overgeleverde waardensysteem.
Met de opheffing van de traditionele gilden voltrok zich een enorme verandering in het leven van kunstenaars. Tot voor kort hadden zij als lid van een gilde altijd een vaste plaats in de maatschappij, wisten wat er van ze verwacht werd en waren zeker van opdrachten. In de jaren na de Franse Revolutie werd dat allemaal afgeschaft. Opdrachtgevers maakten plaats voor willekeurige kopers, kunstenaars werden elkaars concurrenten.
Teruggeworpen op zichzelf en op de markt zochten veel kunstenaars steun en inspiratie bij elkaar. Overal in Europa vormden zich kleine, informele groepen van vakgenoten, lotgenoten. Er ontstonden kunstenaarskringen. Gezamenlijke tentoonstellingen en wederzijds atelierbezoek waren situaties waarin men elkaars werk van dichtbij volgde – waar gediscussieerd werd, waar ideeën geboren werden, vonken oversloegen.
Men ging anders denken over kunstenaars en hun plaats in de maatschappij. De verschillende conventionele kunsten, ooit elk met eigen voorschriften en regels, elk met een specifieke plaats en functie in de sociale hiërarchie, ging men nu beschouwen als praktijken die iets met elkaar gemeen hebben, iets waardoor zij zich onderscheiden van alle andere menselijke aktiviteiten – iets dat ze tot kunst maakt. Zo ontstond de moderne notie van een souvereine, autonome kunst.
De zojuist verworven vrijheid resulteerde echter ook in een probleem van legitimiteit. Want de enige autoriteit waar kunstenaars nog naar konden verwijzen was die van hun eigen kunstenaarschap, ofwel, in de gebruikelijke term van die tijd: het eigen genie.
Het genie werd opgevat als een kracht werkzaam in de kunstenaar – een zichzelf genererende (dus autonome) kracht, vergelijkbaar met de groei- en kiemkracht in de natuur. Het ging dus om iets dat groter was dan de kunstenaar zelf: in het rusteloze mentale proces dat voortdurend nieuwe beelden produceert manifesteerde zich, zo dacht men, niets minder dan de oneindige scheppingskracht van de natuur. Kunstenaars zagen zich daarmee voor een dilemma geplaatst, want die nooit eindigende creativiteit kon onmogelijk worden uitgedrukt in een eindige creatie. Voortaan zou een kunstwerk alleen nog fragment kunnen zijn, onvolledige aanduiding, schets.
Het kunstwerk als voltooid product werd dus geproblematiseerd en het fragmentarische werd tot essentie verheven. Toen Eugène Delacroix (1798 – 1863) werken tentoonstelde in de vorm van geschilderde schetsen ondervond hij veel onbegrip en kritiek; maar wat zijn tijdgenoten als onvoltooid beschouwden was in zijn visie juist datgene waarin het scheppingsproces zichtbaar werd. Latere generaties omarmden dit revolutionaire idee en maakten de schets tot het ultieme model van de kunsten.
Ook in de tekenkunst kreeg de schets nieuwe betekenis als het zichtbare spoor van een eindeloos creatief proces. En hoewel de filosofische lading die er in de negentiende eeuw aan gegeven werd inmiddels ietwat aan gewicht heeft ingeboet, werkt die verschoven betekenis nog altijd door – niet alleen in het werk van veel hedendaagse kunstenaars, maar ook in de manier waarop tegenwoordig aan de kunst van het tekenen een specifieke kwaliteit wordt toegedicht.
Op dit onderwerp zal ik terugkomen in mijn essay over de tekenkunst, waarvan de verschijning in het komend najaar te verwachten is.
WILT U DEZE GALERIJ BLIJVEN VOLGEN ?
vul dan uw emailadres in en meld u aan –
u krijgt éénmaal per drie maanden bericht.
vorige edities blog
startpagina (info & contact)
online galerij
Schets en fragment: over onvoltooidheid
Zo’n tweeënhalve eeuw geleden werd het oude systeem van gevestigde kunsten door grote maatschappelijke veranderingen abrupt onderuit gehaald. Het begon in Engeland, waar technische vernieuwingen leidden tot een complete transformatie van de productiemethoden en dus ook van de samenleving als geheel. De oude vormen van kunstproduktie en de daarbij horende sociale structuren verdwenen, en daarmee ook het overgeleverde waardensysteem.
Met de opheffing van de traditionele gilden voltrok zich een enorme verandering in het leven van kunstenaars. Tot voor kort hadden zij als lid van een gilde altijd een vaste plaats in de maatschappij, wisten wat er van ze verwacht werd en waren zeker van opdrachten. In de jaren na de Franse Revolutie werd dat allemaal afgeschaft. Opdrachtgevers maakten plaats voor willekeurige kopers, kunstenaars werden elkaars concurrenten.
Teruggeworpen op zichzelf en op de markt zochten veel kunstenaars steun en inspiratie bij elkaar. Overal in Europa vormden zich kleine, informele groepen van vakgenoten, lotgenoten. Er ontstonden kunstenaarskringen. Gezamenlijke tentoonstellingen en wederzijds atelierbezoek waren situaties waarin men elkaars werk van dichtbij volgde – waar gediscussieerd werd, waar ideeën geboren werden, vonken oversloegen.
Men ging anders denken over kunstenaars en hun plaats in de maatschappij. De verschillende conventionele kunsten, ooit elk met eigen voorschriften en regels, elk met een specifieke plaats en functie in de sociale hiërarchie, ging men nu beschouwen als praktijken die iets met elkaar gemeen hebben, iets waardoor zij zich onderscheiden van alle andere menselijke aktiviteiten – iets dat ze tot kunst maakt. Zo ontstond de moderne notie van een souvereine, autonome kunst.
De zojuist verworven vrijheid resulteerde echter ook in een probleem van legitimiteit. Want de enige autoriteit waar kunstenaars nog naar konden verwijzen was die van hun eigen kunstenaarschap, ofwel, in de gebruikelijke term van die tijd: het eigen genie.
Het genie werd opgevat als een kracht werkzaam in de kunstenaar – een zichzelf genererende (dus autonome) kracht, vergelijkbaar met de groei- en kiemkracht in de natuur. Het ging dus om iets dat groter was dan de kunstenaar zelf: in het rusteloze mentale proces dat voortdurend nieuwe beelden produceert manifesteerde zich, zo dacht men, niets minder dan de oneindige scheppingskracht van de natuur. Kunstenaars zagen zich daarmee voor een dilemma geplaatst, want die nooit eindigende creativiteit kon onmogelijk worden uitgedrukt in een eindige creatie. Voortaan zou een kunstwerk alleen nog fragment kunnen zijn, onvolledige aanduiding, schets.
Het kunstwerk als voltooid product werd dus geproblematiseerd en het fragmentarische werd tot essentie verheven. Toen Eugène Delacroix (1798 – 1863) werken tentoonstelde in de vorm van geschilderde schetsen ondervond hij veel onbegrip en kritiek; maar wat zijn tijdgenoten als onvoltooid beschouwden was in zijn visie juist datgene waarin het scheppingsproces zichtbaar werd. Latere generaties omarmden dit revolutionaire idee en maakten de schets tot het ultieme model van de kunsten.
Ook in de tekenkunst kreeg de schets nieuwe betekenis als het zichtbare spoor van een eindeloos creatief proces. En hoewel de filosofische lading die er in de negentiende eeuw aan gegeven werd inmiddels ietwat aan gewicht heeft ingeboet, werkt die verschoven betekenis nog altijd door – niet alleen in het werk van veel hedendaagse kunstenaars, maar ook in de manier waarop tegenwoordig aan de kunst van het tekenen een specifieke kwaliteit wordt toegedicht.
Op dit onderwerp zal ik terugkomen in mijn essay over de tekenkunst, waarvan de verschijning in het komend najaar te verwachten is.
WILT U DEZE GALERIJ BLIJVEN VOLGEN ?
vul dan uw emailadres in en meld u aan –
u krijgt éénmaal per drie maanden bericht.