Sporen in open veld, een essay over tekenkunst

Op dit moment leg ik de laatste hand aan een klein boek dat gewijd is aan de tekenkunst. Het is een onderwerp waar ik mij heel lang op verschillende manieren mee bezig heb gehouden – niet alleen als tekenaar, maar ook als kunsthistoricus, onderzoeker en docent. Zo’n tien jaar geleden kwam daar nog iets bij: ik begon toen met de online Galerij van de tekenkunst, waar nog altijd elke drie maanden werk van drie nieuwe tekenaars wordt gepresenteerd.  

En nu dus een boek waarin die uiteenlopende perspectieven bij elkaar komen in de vorm van een essay, dat wil zeggen een tekst die de betreffende materie op de tast benadert.

In recente beschouwingen van critici en kunstenaars leest men altijd weer dezelfde paradox. Enerzijds wordt geschreven over ‘tekenen’ en ’tekenkunst’ alsof die woorden verwijzen naar een eenduidig begrip, een aanwijsbare zaak, iets dat gegeven is. Tegelijkertijd wordt gewezen op de diversiteit, de ‘vele gezichten’ en het oneindige aantal mogelijke definities van wat tekenkunst is en kan zijn.

Maar als tekenkunst inderdaad zo oneindig veel kan zijn en beoefend kan worden met elke denkbare techniek, met elk willekeurig materiaal, waar hebben we het dan over? Valt de kunst van het tekenen uiteen in een veelheid van artistieke praktijken zonder gemeenschappelijke noemer? Of is zij in essentie altijd ‘zichzelf’ gebleven? En hoe is dat ‘zelf’ dan te benoemen, te denken, te zien?   

Om deze knoop te ontwarren richt ik mij in een eerste hoofdstuk op het medium. Na een overzicht van de traditionele materialen en technieken beschrijf ik hoe tegenwoordig veel tekenaars zich daar niet langer aan gebonden achten; sommigen kiezen voor meer picturale technieken, anderen introduceren materialen die bestemd waren voor gebruiksfuncties buiten de kunst. Ook wordt de conventionele drager voor het tekenen, het papier, getransformeerd of zelfs geheel losgelaten.

Tekenkunst blijkt niet zonder meer te begrijpen als een materiaalgebonden discipline. Eerder gaat het om een historisch gevormde conventie waarvan de grenzen verschuiven. Wat volgt is dan ook een uitgebreid hoofdstuk over de ontstaansgeschiedenis van die conventie, dus over de historische praktijk.

Van de nog bewaarde tekeningen uit de vijftiende tot en met de achttiende eeuw is het leeuwendeel gemaakt door schilders. In de loop der tijd nam het tekenen in hun werkplaatsen een steeds grotere plaats in en kreeg een scala aan verschillende toepassingen, voor elk waarvan een ander type tekening werd ontwikkeld. Dit leidde tot een geleidelijke beweging naar wat tegenwoordig autonomie wordt genoemd.

Ik beschrijf hoe een ondergeschikte, dienende atelierpraktijk uiteindelijk veranderde in een volwaardige kunst, maar ook hoe in diezelfde periode het hele systeem van gevestigde kunsten door grote maatschappelijke veranderingen abrupt onderuit werd gehaald. Na de Franse revolutie werden de oude gilden opgeheven en verloren de kunstenaars hun ambachtelijke organisatie en hun vaste aristocratische opdrachtgevers. Ze werden teruggeworpen op zichzelf en op de markt.  

De manier waarop dit alles doorwerkte in de tekenkunst behandel ik dan in een hoofdstuk dat helemaal gaat over haar meest kenmerkende uitdrukkingsmiddel: de lijn. Anders dan voorheen werd de getekende lijn in de moderne tijd eerst en vooral opgevat als een teken dat terugwijst naar het gebaar waarmee het tot stand kwam. Een tekening zou de actie, en daarmee het creatieve proces zelf, van de tekenaar zichtbaar maken.

Maar beelden zijn niet transparant, en kijkend naar een tekening kunnen wij niet in het hoofd van de maker kijken. Een kunstwerk is geen venster met uitzicht op achterliggende processen, ideeën of intenties. In de kunst zijn het de vormen die spreken, en vormen (lijnen, kleurvelden, beeldmotieven) laten zich ervaren, niet begrijpen. Het voorlaatste hoofdstuk gaat over de manier waarop kunstwerken (dus ook tekeningen) tegenwoordig een bij uitstek hedendaagse ervaring mogelijk maken.

In het laatste hoofdstuk komt dan nogmaals ter sprake hoe de tekenkunst ertoe neigt buiten haar grenzen te treden, dus te worden wat zij niet was. Die centrifugale beweging werd lang geleden in gang gezet, omdat geen enkel medium geheel autonoom kan bestaan.

Dit is in grote lijnen de inhoud van het essay waarvoor ik nu de laatste correcties en aanvullingen aan het maken ben. Ik streef ernaar het nog voor het einde van dit jaar te kunnen presenteren.

Als u bericht wil ontvangen wanneer het boek verkrijgbaar is, geef dan hier uw email adres door:

vorige edities blog

startpagina (info & contact)

online galerij

Sporen in open veld, een essay over tekenkunst

Op dit moment leg ik de laatste hand aan een klein boek dat gewijd is aan de tekenkunst. Het is een onderwerp waar ik mij heel lang op verschillende manieren mee bezig heb gehouden – niet alleen als tekenaar, maar ook als kunsthistoricus, onderzoeker en docent. Zo’n tien jaar geleden kwam daar nog iets bij: ik begon toen met de online Galerij van de tekenkunst, waar nog altijd elke drie maanden werk van drie nieuwe tekenaars wordt gepresenteerd.  

En nu dus een boek waarin die uiteenlopende perspectieven bij elkaar komen in de vorm van een essay, dat wil zeggen een tekst die de betreffende materie op de tast benadert.

In recente beschouwingen van critici en kunstenaars leest men altijd weer dezelfde paradox. Enerzijds wordt geschreven over ‘tekenen’ en ’tekenkunst’ alsof die woorden verwijzen naar een eenduidig begrip, een aanwijsbare zaak, iets dat gegeven is. Tegelijkertijd wordt gewezen op de diversiteit, de ‘vele gezichten’ en het oneindige aantal mogelijke definities van wat tekenkunst is en kan zijn.

Maar als tekenkunst inderdaad zo oneindig veel kan zijn en beoefend kan worden met elke denkbare techniek, met elk willekeurig materiaal, waar hebben we het dan over? Valt de kunst van het tekenen uiteen in een veelheid van artistieke praktijken zonder gemeenschappelijke noemer? Of is zij in essentie altijd ‘zichzelf’ gebleven? En hoe is dat ‘zelf’ dan te benoemen, te denken, te zien?   

Om deze knoop te ontwarren richt ik mij in een eerste hoofdstuk op het medium. Na een overzicht van de traditionele materialen en technieken beschrijf ik hoe tegenwoordig veel tekenaars zich daar niet langer aan gebonden achten; sommigen kiezen voor meer picturale technieken, anderen introduceren materialen die bestemd waren voor gebruiksfuncties buiten de kunst. Ook wordt de conventionele drager voor het tekenen, het papier, getransformeerd of zelfs geheel losgelaten.

Tekenkunst blijkt niet zonder meer te begrijpen als een materiaalgebonden discipline. Eerder gaat het om een historisch gevormde conventie waarvan de grenzen verschuiven. Wat volgt is dan ook een uitgebreid hoofdstuk over de ontstaansgeschiedenis van die conventie, dus over de historische praktijk.

Van de nog bewaarde tekeningen uit de vijftiende tot en met de achttiende eeuw is het leeuwendeel gemaakt door schilders. In de loop der tijd nam het tekenen in hun werkplaatsen een steeds grotere plaats in en kreeg een scala aan verschillende toepassingen, voor elk waarvan een ander type tekening werd ontwikkeld. Dit leidde tot een geleidelijke beweging naar wat tegenwoordig autonomie wordt genoemd.

Ik beschrijf hoe een ondergeschikte, dienende atelierpraktijk uiteindelijk veranderde in een volwaardige kunst, maar ook hoe in diezelfde periode het hele systeem van gevestigde kunsten door grote maatschappelijke veranderingen abrupt onderuit werd gehaald. Na de Franse revolutie werden de oude gilden opgeheven en verloren de kunstenaars hun ambachtelijke organisatie en hun vaste aristocratische opdrachtgevers. Ze werden teruggeworpen op zichzelf en op de markt.  

De manier waarop dit alles doorwerkte in de tekenkunst behandel ik dan in een hoofdstuk dat helemaal gaat over haar meest kenmerkende uitdrukkingsmiddel: de lijn. Anders dan voorheen werd de getekende lijn in de moderne tijd eerst en vooral opgevat als een teken dat terugwijst naar het gebaar waarmee het tot stand kwam. Een tekening zou de actie, en daarmee het creatieve proces zelf, van de tekenaar zichtbaar maken.

Maar beelden zijn niet transparant, en kijkend naar een tekening kunnen wij niet in het hoofd van de maker kijken. Een kunstwerk is geen venster met uitzicht op achterliggende processen, ideeën of intenties. In de kunst zijn het de vormen die spreken, en vormen (lijnen, kleurvelden, beeldmotieven) laten zich ervaren, niet begrijpen. Het voorlaatste hoofdstuk gaat over de manier waarop kunstwerken (dus ook tekeningen) tegenwoordig een bij uitstek hedendaagse ervaring mogelijk maken.

In het laatste hoofdstuk komt dan nogmaals ter sprake hoe de tekenkunst ertoe neigt buiten haar grenzen te treden, dus te worden wat zij niet was. Die centrifugale beweging werd lang geleden in gang gezet, omdat geen enkel medium geheel autonoom kan bestaan.

Dit is in grote lijnen de inhoud van het essay waarvoor ik nu de laatste correcties en aanvullingen aan het maken ben. Ik streef ernaar het nog voor het einde van dit jaar te kunnen presenteren.

Als u bericht wil ontvangen wanneer het boek verkrijgbaar is, geef dan hier uw email adres door: