vorige edities blog
startpagina (info & contact)
online galerij
Structuren van gevoel
Josepf Kosuth (een kunstenaar die al ver in de vorige eeuw actief was) formuleerde ooit een radicale visie op kunstwerken uit het verleden. Die hadden wat hem betreft niets meer met kunst te maken. Wat bijvoorbeeld een cubistich schilderij betekende voor tijdgenoten, schreef hij, is voor ons niet meer te achterhalen, want toen betekende het iets anders dan nu. In feite, zo stelde hij, zijn dergelijke werken tegenwoordig weinig meer dan historische curiositeiten.
Het voorbeeld dat Kosuth noemt (een cubistisch schilderij dat toen iets anders betekende dan nu) doet denken aan een uitspraak van Daniel-Henry Kahnweiler, de Parijse kunsthandelaar die bevriend was met Picasso en Braque. ‘Wat toen in de beeldende kunst plaatsvond’, verklaarde hij eens, ‘zal alleen worden begrepen als men zich voor de geest houdt dat er een nieuw tijdperk geboren werd, waarin de mens (in feite de hele mensheid) een verandering onderging die radicaler was dan enige andere in de geschiedenis.’
De Engelse auteur John Berger ondernam later een poging om zich van die verandering een voorstelling te vormen. Hij deed dat door een opsomming te maken van wat er tijdens het vroege cubisme allemaal gaande was in de wereld: de opkomst van de auto en het vliegtuig, de uitvinding van radio en film, het toenemend gebruik van electriciteit, de publicatie van kranten in massa-oplagen, de snelle ontwikkeling van chemische industrieën en de productie van synthetische materialen – de lijst is nog veel langer. Slechts weinigen, schreef hij, kunnen op zo’n moment de volle betekenis vatten van de verandering die plaatsvindt, maar iedereen merkt dat de tijden veranderen.
De manier waarop dat alles werd beleefd is nu inderdaad niet meer na te voelen. En het is precies dat gegeven, het steeds veranderend tijdsgevoel, dat halverwege de twintigste eeuw een belangrijk thema werd in het denken van Raymond Williams. Deze befaamde Britse cultuurtheoreticus stelde een nieuwe term voor, die het gevoelsmatige verbindt met het concrete: structure of feeling.
Structure of feeling omschrijft hij als een bijzonder levensgevoel dat op zeker moment gedeeld wordt in een gemeenschap en als vanzelfsprekend ervaren wordt. Meestal worden we ons er pas van bewust als we het contrast opmerken tussen generaties, die immers nooit helemaal ‘de zelfde taal’ spreken. De nieuwe generatie reageert op haar eigen wijze op de unieke wereld die ze erft – veel van het oude zal ze voortzetten, en toch zal ze het hele leven op bepaalde manieren anders aanvoelen. Ze heeft haar eigen structure of feeling, die niet is aangeleerd, en die nergens ‘vandaan’ lijkt te komen.
Elders in zijn boek (getiteld The Long Revolution) beschrijft Raymond Williams de gevoelsstructuur die hij waarnam in de samenleving waarin hij zelf leefde en werkte: het Engeland van de jaren rond 1960. Van het optimisme uit de tijd van de cubisten was weinig over: nu werd de maatschappij eerder ervaren als iets waarvan weinig goeds te verwachten was, als een restrictieve wereld bestuurd door onverschillige, bemoeizuchtige technocraten.
Een gevolg hiervan, schrijft Williams, was de ‘persoonlijke revolte’. Hij bedoelde hiermee het moderne individualisme: vakbonden en politieke partijen verloren hun leden, kerken en verenigingen liepen leeg. Niemand liet zich nog misleiden door wat de maatschappij zegt dat ze doet. De ‘persoonlijke revolte’ benadrukte vooral een negatieve vrijheid: het recht om met rust gelaten te worden. In een wereld van onpersoonlijke abstracties trekt men zich terug in de eigen individualiteit – ik en mijn familie en vrienden zijn echt, de rest is systeem.
Natuurlijk drong de zo geschetste structure of feeling ook door in de kunst, zoals de overweldigende ervaring van een veranderende tijd ruim een eeuw geleden onvermijdelijk aanwezig was in het werk van de cubisten. Want beelden en attitudes in de kunst komen niet van de sterren, zij komen van wat in het leven voorhanden is. Ook kunstwerken keerden zich af van de omringende wereld; afgezonderd in witte ruimten leken zij enkel nog naar zichzelf te verwijzen.
Vanaf de jaren negentig kreeg dit moderne individualisme echter een heel andere lading. Het werd deel van een triomferende neoliberale ideologie, volgens welke niet zozeer de individuele burger als wel de overheid zelf zich uit de samenleving zou moeten terugtrekken. Zoals bekend voltrok die terugtrekking zich in de praktijk via een politiek van harde bezuinigingen, terwijl de verantwoordelijke politici een cynisch beroep deden op ieders persoonlijke zelfredzaamheid.
Als Raymond Williams nu had geleefd, dan zou hij een ander politiek klimaat hebben aangetroffen. Een klimaat dat de Belgische historicus en filosoof Anton Jäger onlangs kenschetste als een stemming van onophoudelijke, diffuse opwinding, samenhangend met de ‘aandachtscrisis’ gegenereerd door internet, sociale media en smartphone. Een opwinding die op explosieve wijze tot uiting komt in protesten, demonstraties en plotseling opkomende ‘bewegingen’ waar boze of bezorgde individuën massaal aan deelnemen, zonder zich blijvend te organiseren.
Maar er is meer: een nieuwe structure of feeling kondigde zich aan. Nu niet als reactie op een schok van verandering, ook niet als individualistisch antwoord op een falende maatschappij, maar vanuit een aanzwellend besef van urgentie in een rampzalige wereld. En ja, de neerslag daarvan is aanwijsbaar in het werk van veel jonge kunstenaars.
WILT U DEZE GALERIJ BLIJVEN VOLGEN ?
vul dan uw emailadres in en meld u aan –
u krijgt éénmaal per drie maanden bericht.
vorige edities blog
online galerij
startpagina (info & contact)
Structuren van gevoel
Josepf Kosuth (een kunstenaar die al ver in de vorige eeuw actief was) formuleerde ooit een radicale visie op kunstwerken uit het verleden. Die hadden wat hem betreft niets meer met kunst te maken. Wat bijvoorbeeld een cubistich schilderij betekende voor tijdgenoten, schreef hij, is voor ons niet meer te achterhalen, want toen betekende het iets anders dan nu. In feite, zo stelde hij, zijn dergelijke werken tegenwoordig weinig meer dan historische curiositeiten.
Het voorbeeld dat Kosuth noemt (een cubistisch schilderij dat toen iets anders betekende dan nu) doet denken aan een uitspraak van Daniel-Henry Kahnweiler, de Parijse kunsthandelaar die bevriend was met Picasso en Braque. ‘Wat toen in de beeldende kunst plaatsvond’, verklaarde hij eens, ‘zal alleen worden begrepen als men zich voor de geest houdt dat er een nieuw tijdperk geboren werd, waarin de mens (in feite de hele mensheid) een verandering onderging die radicaler was dan enige andere in de geschiedenis.’
De Engelse auteur John Berger ondernam later een poging om zich van die verandering een voorstelling te vormen. Hij deed dat door een opsomming te maken van wat er tijdens het vroege cubisme allemaal gaande was in de wereld: de opkomst van de auto en het vliegtuig, de uitvinding van radio en film, het toenemend gebruik van electriciteit, de publicatie van kranten in massa-oplagen, de snelle ontwikkeling van chemische industrieën en de productie van synthetische materialen – de lijst is nog veel langer. Slechts weinigen, schreef hij, kunnen op zo’n moment de volle betekenis vatten van de verandering die plaatsvindt, maar iedereen merkt dat de tijden veranderen.
De manier waarop dat alles werd beleefd is nu inderdaad niet meer na te voelen. En het is precies dat gegeven, het steeds veranderend tijdsgevoel, dat halverwege de twintigste eeuw een belangrijk thema werd in het denken van Raymond Williams. Deze befaamde Britse cultuurtheoreticus stelde een nieuwe term voor, die het gevoelsmatige verbindt met het concrete: structure of feeling.
Structure of feeling omschrijft hij als een bijzonder levensgevoel dat op zeker moment gedeeld wordt in een gemeenschap en als vanzelfsprekend ervaren wordt. Meestal worden we ons er pas van bewust als we het contrast opmerken tussen generaties, die immers nooit helemaal ‘de zelfde taal’ spreken. De nieuwe generatie reageert op haar eigen wijze op de unieke wereld die ze erft – veel van het oude zal ze voortzetten, en toch zal ze het hele leven op bepaalde manieren anders aanvoelen. Ze heeft haar eigen structure of feeling, die niet is aangeleerd, en die nergens ‘vandaan’ lijkt te komen.
Elders in zijn boek (getiteld The Long Revolution) beschrijft Raymond Williams de gevoelsstructuur die hij waarnam in de samenleving waarin hij zelf leefde en werkte: het Engeland van de jaren rond 1960. Van het optimisme uit de tijd van de cubisten was weinig over: nu werd de maatschappij eerder ervaren als iets waarvan weinig goeds te verwachten was, als een restrictieve wereld bestuurd door onverschillige, bemoeizuchtige technocraten.
Een gevolg hiervan, schrijft Williams, was de ‘persoonlijke revolte’. Hij bedoelde hiermee het moderne individualisme: vakbonden en politieke partijen verloren hun leden, kerken en verenigingen liepen leeg. Niemand liet zich nog misleiden door wat de maatschappij zegt dat ze doet. De ‘persoonlijke revolte’ benadrukte vooral een negatieve vrijheid: het recht om met rust gelaten te worden. In een wereld van onpersoonlijke abstracties trekt men zich terug in de eigen individualiteit – ik en mijn familie en vrienden zijn echt, de rest is systeem.
Natuurlijk drong de zo geschetste structure of feeling ook door in de kunst, zoals de overweldigende ervaring van een veranderende tijd ruim een eeuw geleden onvermijdelijk aanwezig was in het werk van de cubisten. Want beelden en attitudes in de kunst komen niet van de sterren, zij komen van wat in het leven voorhanden is. Ook kunstwerken keerden zich af van de omringende wereld; afgezonderd in witte ruimten leken zij enkel nog naar zichzelf te verwijzen.
Vanaf de jaren negentig kreeg dit moderne individualisme echter een heel andere lading. Het werd deel van een triomferende neoliberale ideologie, volgens welke niet zozeer de individuele burger als wel de overheid zelf zich uit de samenleving zou moeten terugtrekken. Zoals bekend voltrok die terugtrekking zich in de praktijk via een politiek van harde bezuinigingen, terwijl de verantwoordelijke politici een cynisch beroep deden op ieders persoonlijke zelfredzaamheid.
Als Raymond Williams nu had geleefd, dan zou hij een ander politiek klimaat hebben aangetroffen. Een klimaat dat de Belgische historicus en filosoof Anton Jäger onlangs kenschetste als een stemming van onophoudelijke, diffuse opwinding, samenhangend met de ‘aandachtscrisis’ gegenereerd door internet, sociale media en smartphone. Een opwinding die op explosieve wijze tot uiting komt in protesten, demonstraties en plotseling opkomende ‘bewegingen’ waar boze of bezorgde individuën massaal aan deelnemen, zonder zich blijvend te organiseren.
Maar er is meer: een nieuwe structure of feeling kondigde zich aan. Nu niet als reactie op een schok van verandering, ook niet als individualistisch antwoord op een falende maatschappij, maar vanuit een aanzwellend besef van urgentie in een rampzalige wereld. En ja, de neerslag daarvan is aanwijsbaar in het werk van veel jonge kunstenaars.
WILT U DEZE GALERIJ BLIJVEN VOLGEN ?
vul dan uw emailadres in en meld u aan –
u krijgt éénmaal per drie maanden bericht.
vorige edities blog
startpagina (info & contact)
online galerij
Structuren van gevoel
Josepf Kosuth (een kunstenaar die al ver in de vorige eeuw actief was) formuleerde ooit een radicale visie op kunstwerken uit het verleden. Die hadden wat hem betreft niets meer met kunst te maken. Wat bijvoorbeeld een cubistich schilderij betekende voor tijdgenoten, schreef hij, is voor ons niet meer te achterhalen, want toen betekende het iets anders dan nu. In feite, zo stelde hij, zijn dergelijke werken tegenwoordig weinig meer dan historische curiositeiten.
Het voorbeeld dat Kosuth noemt (een cubistisch schilderij dat toen iets anders betekende dan nu) doet denken aan een uitspraak van Daniel-Henry Kahnweiler, de Parijse kunsthandelaar die bevriend was met Picasso en Braque. ‘Wat toen in de beeldende kunst plaatsvond’, verklaarde hij eens, ‘zal alleen worden begrepen als men zich voor de geest houdt dat er een nieuw tijdperk geboren werd, waarin de mens (in feite de hele mensheid) een verandering onderging die radicaler was dan enige andere in de geschiedenis.’
De Engelse auteur John Berger ondernam later een poging om zich van die verandering een voorstelling te vormen. Hij deed dat door een opsomming te maken van wat er tijdens het vroege cubisme allemaal gaande was in de wereld: de opkomst van de auto en het vliegtuig, de uitvinding van radio en film, het toenemend gebruik van electriciteit, de publicatie van kranten in massa-oplagen, de snelle ontwikkeling van chemische industrieën en de productie van synthetische materialen – de lijst is nog veel langer. Slechts weinigen, schreef hij, kunnen op zo’n moment de volle betekenis vatten van de verandering die plaatsvindt, maar iedereen merkt dat de tijden veranderen.
De manier waarop dat alles werd beleefd is nu inderdaad niet meer na te voelen. En het is precies dat gegeven, het steeds veranderend tijdsgevoel, dat halverwege de twintigste eeuw een belangrijk thema werd in het denken van Raymond Williams. Deze befaamde Britse cultuurtheoreticus stelde een nieuwe term voor, die het gevoelsmatige verbindt met het concrete: structure of feeling.
Structure of feeling omschrijft hij als een bijzonder levensgevoel dat op zeker moment gedeeld wordt in een gemeenschap en als vanzelfsprekend ervaren wordt. Meestal worden we ons er pas van bewust als we het contrast opmerken tussen generaties, die immers nooit helemaal ‘de zelfde taal’ spreken. De nieuwe generatie reageert op haar eigen wijze op de unieke wereld die ze erft – veel van het oude zal ze voortzetten, en toch zal ze het hele leven op bepaalde manieren anders aanvoelen. Ze heeft haar eigen structure of feeling, die niet is aangeleerd, en die nergens ‘vandaan’ lijkt te komen.
Elders in zijn boek (getiteld The Long Revolution) beschrijft Raymond Williams de gevoelsstructuur die hij waarnam in de samenleving waarin hij zelf leefde en werkte: het Engeland van de jaren rond 1960. Van het optimisme uit de tijd van de cubisten was weinig over: nu werd de maatschappij eerder ervaren als iets waarvan weinig goeds te verwachten was, als een restrictieve wereld bestuurd door onverschillige, bemoeizuchtige technocraten.
Een gevolg hiervan, schrijft Williams, was de ‘persoonlijke revolte’. Hij bedoelde hiermee het moderne individualisme: vakbonden en politieke partijen verloren hun leden, kerken en verenigingen liepen leeg. Niemand liet zich nog misleiden door wat de maatschappij zegt dat ze doet. De ‘persoonlijke revolte’ benadrukte vooral een negatieve vrijheid: het recht om met rust gelaten te worden. In een wereld van onpersoonlijke abstracties trekt men zich terug in de eigen individualiteit – ik en mijn familie en vrienden zijn echt, de rest is systeem.
Natuurlijk drong de zo geschetste structure of feeling ook door in de kunst, zoals de overweldigende ervaring van een veranderende tijd ruim een eeuw geleden onvermijdelijk aanwezig was in het werk van de cubisten. Want beelden en attitudes in de kunst komen niet van de sterren, zij komen van wat in het leven voorhanden is. Ook kunstwerken keerden zich af van de omringende wereld; afgezonderd in witte ruimten leken zij enkel nog naar zichzelf te verwijzen.
Vanaf de jaren negentig kreeg dit moderne individualisme echter een heel andere lading. Het werd deel van een triomferende neoliberale ideologie, volgens welke niet zozeer de individuele burger als wel de overheid zelf zich uit de samenleving zou moeten terugtrekken. Zoals bekend voltrok die terugtrekking zich in de praktijk via een politiek van harde bezuinigingen, terwijl de verantwoordelijke politici een cynisch beroep deden op ieders persoonlijke zelfredzaamheid.
Als Raymond Williams nu had geleefd, dan zou hij een ander politiek klimaat hebben aangetroffen. Een klimaat dat de Belgische historicus en filosoof Anton Jäger onlangs kenschetste als een stemming van onophoudelijke, diffuse opwinding, samenhangend met de ‘aandachtscrisis’ gegenereerd door internet, sociale media en smartphone. Een opwinding die op explosieve wijze tot uiting komt in protesten, demonstraties en plotseling opkomende ‘bewegingen’ waar boze of bezorgde individuën massaal aan deelnemen, zonder zich blijvend te organiseren.
Maar er is meer: een nieuwe structure of feeling kondigde zich aan. Nu niet als reactie op een schok van verandering, ook niet als individualistisch antwoord op een falende maatschappij, maar vanuit een aanzwellend besef van urgentie in een rampzalige wereld. En ja, de neerslag daarvan is aanwijsbaar in het werk van veel jonge kunstenaars.
WILT U DEZE GALERIJ BLIJVEN VOLGEN ?
vul dan uw emailadres in en meld u aan –
u krijgt éénmaal per drie maanden bericht.