Het ondoorzichtige beeld en de vraatzuchtige blik: over tonen en verhullen

 

Er begint zich langzamerhand enige lijn af te tekenen in dit blog. Alles wat in het voorafgaande ter sprake kwam kan nu worden samengevat in deze vier woorden: beelden zijn niet transparant.

Dat betekent dat wij, kijkend naar een kunstwerk, niet in het hoofd van de maker kijken. Het kunstwerk is geen venster met uitzicht op achterliggende ideeën en intenties. Evenmin laat het ons een wereld zien door de ogen van de kunstenaar, of communiceert het zijn of haar emoties.

Noem het autonomie: de autonomie van het kunstwerk. Dit wat kleurloos geworden begrip werd de afgelopen decennia opnieuw gedefinieerd en op de voorgrond geplaatst door Jacques Rancière, een denker die indringende essays publiceerde over kunst, esthetica en politiek. Behalve van autonomie spreekt hij ook wel van een scheiding, een discontinuïteit of een breuk: “(…) geen enkele kunst kan de esthetische breuk vermijden die de effecten scheidt van de bedoelingen, en die de toegang ontzegt tot de koninklijke weg naar een realiteit die de andere zijde van woorden en beelden zou zijn. Er is geen andere zijde.”

Geen andere zijde, geen venster, geen transparantie: het zijn ontkennende, negatieve termen. Alsof datgene wat een kunstwerk ons toont zich alleen laat omschrijven met een verwijzing naar wat het niet toont. Natuurlijk zijn er wel degelijk ook bevestigende, positieve bewoordingen om aan te duiden wat kunst te zien geeft. Peter Struycken schreef bijvoorbeeld ooit dat de kunst voorstellen doet over wat werkelijkheid is, dat zij zich met behulp van visuele modellen uitspreekt over alles wat kan worden waargenomen of gedacht, dat er geen grens is aan de mogelijke voorstellingen die van de werkelijkheid kunnen worden gemaakt en dat deze alleen maar toegankelijk is dankzij de voorstellen die er over gedaan worden. 

Maar tonen is altijd ook verhullen: het beeld dat we tegenover ons zien onttrekt altijd iets aan ons blikveld, iets afgrondelijks. Het kunstwerk is als het ware een scherm tussen ons oog en datgene wat niet getoond, niet gezien kan worden en toch aanwezig is – het onvoorstelbare, het onverdraaglijke, het sublieme.

Volgens Kant is de esthetische ervaring slechts mogelijk wanneer zij belangeloos is, want op het moment dat we ergens belang bij hebben is ons oordeel niet meer zuiver. Een eeuw later zal het ‘gepraat over belangeloosheid’ de woede wekken van Nietzsche, voor wie kunst juist een noodzakelijke schijn belichaamt: ‘Wij hebben de kunst’, schrijft hij, ‘opdat wij niet aan de waarheid te gronde gaan.’ Hoewel hij het woord niet gebruikt ziet Nietzsche de kunst als een ‘scherm’ dat wij ons voorhouden om de waarheid, die onverdraaglijk is, niet te moeten zien. De metafoor van het scherm zelf wordt halverwege de twintigste eeuw tenslotte geïntroduceerd door Jacques Lacan, en wel tijdens zijn legendarisch geworden reeks colleges over de psychoanalyse.   

De menselijke blik, zo leert Lacan, is helemaal niet belangeloos. Hij is hongerig, vraatzuchtig, wordt gedreven door een onstilbaar, diep geworteld, onmogelijk verlangen. Maar die boze blik kan door kunst worden beteugeld; kunst heeft een pacificerende werking. De kunstenaar is iemand die zegt: Je wilt dus zien. Welnu, zie dan dit ! En hij nodigt de kijker uit zijn blik neer te leggen in het beeld, ‘zoals men wapens neerlegt’. 
 
 

(wordt vervolgd) 

REACTIES

Reacties worden op prijs gesteld – mail uw bijdrage naar wimkranendonk@xs4all.nl

WILT U DEZE GALERIJ BLIJVEN VOLGEN ?

vul dan uw emailadres in en meld u aan –
u krijgt éénmaal per drie maanden bericht.