Urgentie

De Romeinse dichter Ovidius vertelt hoe aan het begin der tijden Chaos heerste – ongedifferentieerde Chaos, zonder vorm of samenhang, altijd en overal gelijk.

Chaos wil zeggen dat de aarde geen vastheid heeft, het water geen vloeibaarheid en de hemel geen licht. Niets is blijvend, niets heeft zijn plaats, alles zit elkaar voortdurend in de weg. Chaos is onleefbaar: het Griekse woord verwijst naar onderwereld, duisternis, afgrond.

Maar door goddelijk ingrijpen, schrijft Ovidius dan, veranderde Chaos in Kosmos. De dingen werden van elkaar gescheiden en kregen hun specifieke eigenschappen; alles kreeg zijn plaats in een groot, harmonieus geheel. Het Griekse woord Kosmos betekent orde, maar ook sieraad – sierlijke orde. En het betekent wereld.

In de oude mythe lijkt een universele betekenis te schuilen. Altijd weer scheppen mensen een eigen kosmos. Wij kleden ons, richten onze huizen en onze steden in, ordenen onze ruimte en onze tijd. Wij geven er namen aan, zoals wij ook zelf namen dragen – en vertellen elkaar verhalen. Zonder dat is het leven niet leefbaar.

Hier begint de noodzaak van kunst. Naakte werkelijkheid (realiteit als chaos) kunnen wij niet verdragen, en zelfs niet als zodanig waarnemen. Op het moment dat de wereld aan ons verschijnt is zij altijd al geordend – geordend door onze eigen zintuiglijkheid, of beter: door tussenkomst (zo leert ons Immanuel Kant) van de verbeeldingskracht.   

De verbeeldingskracht (Einbildungskraft) brengt in de eindeloze stroom van onsamenhangende gewaarwordingen een synthese tot stand, ofwel een verknoping of associatie van voorstellingen. Alleen zo verschijnt een wereld die kan worden ervaren en begrepen. Kant noemt dit proces een verborgen kunst van de menselijke ziel.

De realiteit ‘achter’ die voorstellingen is onkenbaar. Wat onafhankelijk van ons (en van onze waarneming) bestaat werd door Kant aangeduid als noumenon of Ding-an-sich: een naamloos ‘zijn’ dat ons vreemd is – het is de plaats van het Unheimliche.

Mensen leven in een kosmos van voorstellingen die zij aan elkaar doorgeven. Maar die kosmos moet ook steeds opnieuw worden gedacht, gevormd en veroverd. Want het gaat om een breekbare orde, die vroeg of laat onvermijdelijk dreigt uiteen te vallen. Dan laat Chaos zijn tanden zien – men kijkt in de afgrond.

Het duistere en chaotische kunnen wij slechts verdragen door het te verhullen – het is een inzicht dat met kracht werd geformuleerd door Friedrich Nietzsche. Kunst achtte hij daarbij van levensbelang: “alleen de kunst is in staat die afschuwelijke gedachten over het schrikwekkende of absurde van het bestaan om te buigen in voorstellingen waarmee te leven valt.

Wanneer onze voorstellingen van de wereld uiteenvallen wordt kunst urgent. Die urgentie laat zich niet kunsthistorisch onderzoeken of kritisch beoordelen. Men kan de urgentie van kunst niet meten – zelfs niet afmeten aan de eventuele relevantie van een onderwerp of thema. Kunst schept ruimten voor verbeelding, voor vrije associaties en nog te vormen gedachten. De waarde daarvan kan men slechts ervaren.  

Toen aan de Oekraïense dichter Kaminsky gevraagd werd of poëzie nog een functie heeft luidde zijn antwoord dat die vraag alleen gesteld kan worden door iemand die zelf altijd woorden heeft voor de positie waarin hij of zij zich bevindt. De meesten van ons, zei Kaminsky, hebben dat privilege niet. Een vriendin van hem, die tijdens hevige bombardementen schuilde in een metrostation van Kiev, hield daar zichzelf en haar omgeving bij zinnen door gedichten te reciteren – zij had de poëzie nodig om te kunnen overleven.

Enkele oorlogen eerder verscheen in The New Yorker een interview met de Italiaanse rechter Antonio Cassese, voorzitter van het toenmalige Joegoslavië Tribunaal in Den Haag. Hij was belast met onderzoek naar martelpraktijken en vertelde daarover afgrijselijke details. Juist in die dagen had hij de zaak in behandeling van een man die gedwongen werd met zijn tanden een medegevangene gruwelijk te verminken. Het slachtoffer stierf, en de man in kwestie werd krankzinnig.

De geschokte journalist vroeg hoe de rechter dit werk kon volhouden zonder ook zelf gek te worden, waarop Cassese zei dat hij zo vaak als mogelijk naar het Mauritshuis wandelde om enige tijd door te brengen bij de schilderijen van Vermeer. Na de confrontatie met het meest inhumane waartoe mensen in staat zijn herinnerde de kunst van Vermeer hem aan het schone en volmaakte dat de mens kan voortbrengen. Daar vond hij de troost die nodig was om aan de volgende dag te kunnen beginnen.

Nietzsche, de denker, verloor zijn verstand toen hij nog geen 45 jaar oud was. Tussen zijn bezittingen vond men honderden kleine schriften met duizenden losse notities, haastig opgeschreven in alle delen van Europa. In één daarvan stond deze beroemd geworden en dikwijls geciteerde, maar daarom niet minder onthutsende zin:

Wij hebben de kunst, opdat we niet aan de waarheid te gronde gaan.

WILT U DEZE GALERIJ BLIJVEN VOLGEN ?

vul dan uw emailadres in en meld u aan –
u krijgt éénmaal per drie maanden bericht.

vorige edities blog

startpagina (info & contact)

online galerij

Urgentie

De Romeinse dichter Ovidius vertelt hoe aan het begin der tijden Chaos heerste – ongedifferentieerde Chaos, zonder vorm of samenhang, altijd en overal gelijk.

Chaos wil zeggen dat de aarde geen vastheid heeft, het water geen vloeibaarheid en de hemel geen licht. Niets is blijvend, niets heeft zijn plaats, alles zit elkaar voortdurend in de weg. Chaos is onleefbaar: het Griekse woord verwijst naar onderwereld, duisternis, afgrond.

Maar door goddelijk ingrijpen, schrijft Ovidius dan, veranderde Chaos in Kosmos. De dingen werden van elkaar gescheiden en kregen hun specifieke eigenschappen; alles kreeg zijn plaats in een groot, harmonieus geheel. Het Griekse woord Kosmos betekent orde, maar ook sieraad – sierlijke orde. En het betekent wereld.

In de oude mythe lijkt een universele betekenis te schuilen. Altijd weer scheppen mensen een eigen kosmos. Wij kleden ons, richten onze huizen en onze steden in, ordenen onze ruimte en onze tijd. Wij geven er namen aan, zoals wij ook zelf namen dragen – en vertellen elkaar verhalen. Zonder dat is het leven niet leefbaar.

Hier begint de noodzaak van kunst. Naakte werkelijkheid (realiteit als chaos) kunnen wij niet verdragen, en zelfs niet als zodanig waarnemen. Op het moment dat de wereld aan ons verschijnt is zij altijd al geordend – geordend door onze eigen zintuiglijkheid, of beter: door tussenkomst (zo leert ons Immanuel Kant) van de verbeeldingskracht.   

De verbeeldingskracht (Einbildungskraft) brengt in de eindeloze stroom van onsamenhangende gewaarwordingen een synthese tot stand, ofwel een verknoping of associatie van voorstellingen. Alleen zo verschijnt een wereld die kan worden ervaren en begrepen. Kant noemt dit proces een verborgen kunst van de menselijke ziel.

De realiteit ‘achter’ die voorstellingen is onkenbaar. Wat onafhankelijk van ons (en van onze waarneming) bestaat werd door Kant aangeduid als noumenon of Ding-an-sich: een naamloos ‘zijn’ dat ons vreemd is – het is de plaats van het Unheimliche.

Mensen leven in een kosmos van voorstellingen die zij aan elkaar doorgeven. Maar die kosmos moet ook steeds opnieuw worden gedacht, gevormd en veroverd. Want het gaat om een breekbare orde, die vroeg of laat onvermijdelijk dreigt uiteen te vallen. Dan laat Chaos zijn tanden zien – men kijkt in de afgrond.

Het duistere en chaotische kunnen wij slechts verdragen door het te verhullen – het is een inzicht dat met kracht werd geformuleerd door Friedrich Nietzsche. Kunst achtte hij daarbij van levensbelang: “alleen de kunst is in staat die afschuwelijke gedachten over het schrikwekkende of absurde van het bestaan om te buigen in voorstellingen waarmee te leven valt.

Wanneer onze voorstellingen van de wereld uiteenvallen wordt kunst urgent. Die urgentie laat zich niet kunsthistorisch onderzoeken of kritisch beoordelen. Men kan de urgentie van kunst niet meten – zelfs niet afmeten aan de eventuele relevantie van een onderwerp of thema. Kunst schept ruimten voor verbeelding, voor vrije associaties en nog te vormen gedachten. De waarde daarvan kan men slechts ervaren.  

Toen aan de Oekraïense dichter Kaminsky gevraagd werd of poëzie nog een functie heeft luidde zijn antwoord dat die vraag alleen gesteld kan worden door iemand die zelf altijd woorden heeft voor de positie waarin hij of zij zich bevindt. De meesten van ons, zei Kaminsky, hebben dat privilege niet. Een vriendin van hem, die tijdens hevige bombardementen schuilde in een metrostation van Kiev, hield daar zichzelf en haar omgeving bij zinnen door gedichten te reciteren – zij had de poëzie nodig om te kunnen overleven.

Enkele oorlogen eerder verscheen in The New Yorker een interview met de Italiaanse rechter Antonio Cassese, voorzitter van het toenmalige Joegoslavië Tribunaal in Den Haag. Hij was belast met onderzoek naar martelpraktijken en vertelde daarover afgrijselijke details. Juist in die dagen had hij de zaak in behandeling van een man die gedwongen werd met zijn tanden een medegevangene gruwelijk te verminken. Het slachtoffer stierf, en de man in kwestie werd krankzinnig.

De geschokte journalist vroeg hoe de rechter dit werk kon volhouden zonder ook zelf gek te worden, waarop Cassese zei dat hij zo vaak als mogelijk naar het Mauritshuis wandelde om enige tijd door te brengen bij de schilderijen van Vermeer. Na de confrontatie met het meest inhumane waartoe mensen in staat zijn herinnerde de kunst van Vermeer hem aan het schone en volmaakte dat de mens kan voortbrengen. Daar vond hij de troost die nodig was om aan de volgende dag te kunnen beginnen.

Nietzsche, de denker, verloor zijn verstand toen hij nog geen 45 jaar oud was. Tussen zijn bezittingen vond men honderden kleine schriften met duizenden losse notities, haastig opgeschreven in alle delen van Europa. In één daarvan stond deze beroemd geworden en dikwijls geciteerde, maar daarom niet minder onthutsende zin:

Wij hebben de kunst, opdat we niet aan de waarheid te gronde gaan.

WILT U DEZE GALERIJ BLIJVEN VOLGEN ?

vul dan uw emailadres in en meld u aan –
u krijgt éénmaal per drie maanden bericht.