Tekenen en waarnemen (of de autonomie van het visuele)

 

In het nieuwste nummer van het tijdschrift kM verscheen een artikel over tekenkunst. De auteur is Arno Kramer, die meer dan wie ook heeft gedaan voor het tekenen als autonome kunstdiscipline in Nederland. Het artikel besluit met enkele algemene opmerkingen, waaronder deze: tekenen kan worden beschouwd als het verlengde van de waarneming.

Die woorden deden mij plezier maar roepen ook vragen op. Het verlengde van de waarneming, zeker, maar hoe precies en wat voor waarneming?

Ten tijde van de manifestatie DRAWING FRONT die vorig jaar overal in het land werd gehouden verzuchtte een criticus van naam dat hij de ‘schetsboekmentaliteit’ miste: ‘de simpele studies van een toevallig stilleven, het uitzicht uit een raam, het eigen gezicht in de spiegel.’ Een andere criticus benadrukte juist dat de kunst tegenwoordig veel meer een wereld van ideeën is dan een ‘verslag van de wereld zoals die er uitziet’.

Formuleringen als ‘de wereld zoals die er uitziet’, ‘toevallig stilleven’ en ‘simpele studies’ suggereren vooral één ding: dat waarnemen een onproblematische activiteit zou zijn. Dat is natuurlijk niet zo. Voor onze waarnemingen geldt wat ik in mijn vorige bericht schreef over de beelden in de kunst: zij zijn niet transparant.

Het niet-transparante van de waarneming werd op overrompelende wijze aan de orde gesteld door de impressionisten, de eersten die het zichtbare hier en nu tot onderwerp maakten van schilderijen. Zichtbaar was in hun ogen niet de tastbare wereld waar je in kunt rondlopen, maar alleen het effect van de door die wereld gereflecteerde lichtstralen op het netvlies. Wat men (in overeenstemming met de toenmalige fysiologische theorie) dacht te zien was dus niets anders dan een veld met kleurvlekken. En het schilderij zelf werd opgevat als een herschepping van dat retinale veld.

De gedachte dat het picturale oppervlak van het schilderij vergelijkbaar zou zijn met het retinale oppervlak van het oog, en aan dezelfde optische logica zou kunnen of moeten beantwoorden, werd een belangrijk uitgangspunt voor de kunsttheorie van het modernisme en vormde het centrale argument van Clement Greenberg in zijn beroemde essay Modernist Painting (1961).

Aan deze modernistische visie liggen twee merkwaardige ideeën ten grondslag. Ten eerste de autonomie van het visuele, ofwel de absolute scheiding der zintuigen: schilderkunst zou zich moeten bezighouden met pure zichtbaarheid en niet met het tastbare, hoorbare of voelbare.

Ten tweede gaat het hier om een dubbele waarneming: die van het oog en die van de geest – er is een fysiek lichtgevoelig netvlies en dan is er ook een niet-lichamelijk bewustzijn ofwel een subject dat de werkelijkheid vóór zich ‘ziet’, een werkelijkheid waar het zelf buiten of boven staat (of onder ligt: sub-ject). Het idee van die verdubbeling heeft oude wortels in het Europese denken en gaat terug op de filosofie van Descartes.

Maar wat nu als waarneming in die zin niet bestaat? Wat als er niet zoiets is als een transcendent ego met tegenover zich een wereld die alleen toegankelijk is voor het oog? Tegen het eind van de twintigste eeuw leerde de filosofie dat waarneming niet buiten het fysieke lichaam resideert, maar van het lichaam is, dus niet kan worden gescheiden van de activiteit van andere organen of die van het ondoordringbare gebied dat men het onbewuste noemt.

Dit inzicht was overigens niet helemaal nieuw. Goethe wist het al: sluit je ogen en zie vlottende kleurvormen. Visuele sensaties worden niet alleen opgewekt door ‘de zichtbare wereld’ buiten, maar ook door fysiologische processen binnen het lichaam.

Onze waarneming, met andere woorden, is eerder duister dan transparant. Hoe kan tekenen daar het verlengde van zijn? Het antwoord is aan de kunstenaars die zich op dit moment in de Galerij van de tekenkunst presenteren: zij verkennen drie manieren, drie verschillende mogelijkheden van wisselwerking tussen het oog en de hand.

 

(wordt vervolgd) 

REACTIES

Mooi overzicht van dit rare probleem. Het mooist vind ik dat geillustreerd in de fim Terminator 1 waarin je als kijker op een gegeven moment meekijkt door het superoog van Arnold ‘Terminator’ Schwarzenegger, de zeer menselijke robot die vanuit de toekomst naar het nu is gekomen. Je ziet dan een beeld dat opgebouwd is uit beeldlijnen van een ouderwets beeldscherm. Je vraagt je af, zit er nou in dat hoofd van de Terminator nog een klein mannetje naar die televisie te kijken? Zou die visuele informatie niet veel beter direct naar de beslissingscentra in de robothersenen kunnen gaan? Maar wat is dan nog de functie van deze in het oog opnieuw opgebouwde projectie van de buitenwereld?

Ik ga je blog volgen!
groeten!

Frank Foole

 

Een reactie van Guus Swuste is te lezen op zijn blog, ga naar: Guus Swuste, Kunstloze kunst 

 

 

Reacties worden op prijs gesteld – mail uw bijdrage naar wimkranendonk@xs4all.nl

 

WILT U DEZE GALERIJ BLIJVEN VOLGEN ?

vul dan uw emailadres in en meld u aan –
u krijgt éénmaal per drie maanden bericht.