[notphone] 

Reactie van Guus Swuste

 

Beste Wim,

De laatste alinea van je blog zette mij aan tot denken. Denken over (mijn) de kunst. Schopenhauer stelt ergens in zijn essay over de vrijheid van de wil: ‘Het hoofd stelt een vraag en het hoofd moet deze beantwoorden’. Maar hier wil ik iets aan toevoegen.

De kritieken die je aanhaalt leveren voor mij een gefragmenteerd beeld op. De één legt de nadruk op de buitenwereld en de ander op het innerlijk. Je constateert terecht dat het neer komt op klassieke tegenstellingen, waar we niet verder mee komen.

De tentoonstelling Drawing Front zou de nadruk leggen op ‘iets anders’, iets introverts. Ikzelf zou eerder willen zeggen dat het gaat om iets dat ‘stil’ is. Iets dat niet waarneembaar is, waar geen woorden voor zijn. Dat er daarom ook geen woorden uit kunnen komen, en dat het dus ook geen geluid maakt (laat staan lawaai).

In een essay over Paul van Ostaaijen (Paul de Vree, ‘PvO’s Ars Poëtica’. Bzzulletin, mei 1979) wordt geciteerd uit een essay van PvO: ‘Gebruiksaanwijzing der lyriek’ uit 1925. PvO is op zoek naar het transcendente van het woord. De resonans van het woord in het onderbewuste, die naar de oppervlakte wordt gebracht. Het wordt vervolgens tot stof, namelijk een gedicht. Deze gesensibiliseerde stof krijgt een onderlinge samenhang als de woorden ‘bevriend’ met elkaar zijn. Dit veronderstelt een grondige kennis van de woorden, en daarmee van het denken, want deze twee hangen nauw samen. Een andere vooronderstelling is dat je sensibel bent voor de transcendente resonantie van datgene wat je waarneemt in de wereld.

Eén eigenschap van woorden is, dat zij naam geven aan de dingen in de wereld. Een andere dat zij een instrument voor ons is, om de wereld te proberen te begrijpen. Met andere woorden, dit traject is bevestigend. In tegenstelling tot het ‘stille’, dat ontkennend is.

In dit verband kwam ik onlangs iets tegen, dat, in ieder geval voor mij, een licht kan werpen op een oplossing voor deze tegenstelling. In de inleiding op een vertaling van het werk van Pseudo-Dionysius de Areopagiet (Christofoor, Zeist. 2015), geschreven door Andrew Louth, stelt de auteur dat het werk van Dionysius twee theologieën bevat, een bevestigende en een ontkennende, en dat hij ze als wederzijds verweven met elkaar beschouwt. ‘De taal van de bevestigende theologie wordt bevrijd door de ontkennende theologie, en daarmee wordt het een taal van viering’.

Deze twee omschrijvingen toepassen op het tekenen en op kunst in het algemeen, heeft mij verlost van een dilemma, waar ik lang mee heb gezeten. Inderdaad, een tekening zit niet in het hoofd, maar staat op papier of op een andere drager. Zij is dus stof en daarmee een uiting. Hoe kan zij dan een uitdrukking zijn van wat me overkwam bij die tekening van het model, waar ik tijd en ruimte kwijt raakte? Een tekening is immers tijd en ruimte!  Dionysius indachtig kun je dan een tekening zien als een allusieve neerslag van een andere wereld, die is gemaakt met de middelen van deze wereld.

Zo beschouwd kan een tekening ons niets leren over de wereld en niets over de tekenaar. Zij is stil. De kritieken naar aanleiding van Drawing Front op deze werkwijze, vanuit de verschillende invalshoeken, worden hiermee betekenisloos.

In de stilte is volgens mij zowel de schetsboekmentaliteit als de innerlijke wereld vervat. In plaats van ze uit elkaar te trekken tot tegenstellingen, worden het innerlijke en het uiterlijke geïntegreerd: Het worden vrienden en daarmee meer dan de som der delen.

 

Met vriendelijke groet, Guus Swuste

[/notphone]

[phone]terug

archief

info & contact

Beste Wim,

De laatste alinea van je blog zette mij aan tot denken. Denken over (mijn) de kunst. Schopenhauer stelt ergens in zijn essay over de vrijheid van de wil: ‘Het hoofd stelt een vraag en het hoofd moet deze beantwoorden’. Maar hier wil ik iets aan toevoegen.

De kritieken die je aanhaalt leveren voor mij een gefragmenteerd beeld op. De één legt de nadruk op de buitenwereld en de ander op het innerlijk. Je constateert terecht dat het neer komt op klassieke tegenstellingen, waar we niet verder mee komen.

De tentoonstelling Drawing Front zou de nadruk leggen op ‘iets anders’, iets introverts. Ikzelf zou eerder willen zeggen dat het gaat om iets dat ‘stil’ is. Iets dat niet waarneembaar is, waar geen woorden voor zijn. Dat er daarom ook geen woorden uit kunnen komen, en dat het dus ook geen geluid maakt (laat staan lawaai).

In een essay over Paul van Ostaaijen (Paul de Vree, ‘PvO’s Ars Poëtica’. Bzzulletin, mei 1979) wordt geciteerd uit een essay van PvO: ‘Gebruiksaanwijzing der lyriek’ uit 1925. PvO is op zoek naar het transcendente van het woord. De resonans van het woord in het onderbewuste, die naar de oppervlakte wordt gebracht. Het wordt vervolgens tot stof, namelijk een gedicht. Deze gesensibiliseerde stof krijgt een onderlinge samenhang als de woorden ‘bevriend’ met elkaar zijn.  Dit veronderstelt een grondige kennis van de woorden, en daarmee van het denken, want deze twee hangen nauw samen. Een andere vooronderstelling is dat je sensibel bent voor de transcendente resonantie van datgene wat je waarneemt in de wereld.

Eén eigenschap van woorden is, dat zij naam geven aan de dingen in de wereld. Een andere dat zij een instrument voor ons is, om de wereld te proberen te begrijpen. Met andere woorden, dit traject is bevestigend. In tegenstelling tot het ‘stille’, dat ontkennend is.

In dit verband kwam ik onlangs iets tegen, dat, in ieder geval voor mij, een licht kan werpen op een oplossing voor deze tegenstelling. In de inleiding op een vertaling van het werk van Pseudo-Dionysius de Areopagiet (Christofoor, Zeist. 2015), geschreven door Andrew Louth, stelt de auteur dat het werk van Dionysius twee theologieën bevat, een bevestigende en een ontkennende, en dat hij ze als wederzijds verweven met elkaar beschouwt. ‘De taal van de bevestigende theologie wordt bevrijd door de ontkennende theologie, en daarmee wordt het een taal van viering’.

Deze twee omschrijvingen toepassen op het tekenen en op kunst in het algemeen, heeft mij verlost van een dilemma, waar ik lang mee heb gezeten. Inderdaad, een tekening zit niet in het hoofd, maar staat op papier of op een andere drager. Zij is dus stof en daarmee een uiting. Hoe kan zij dan een uitdrukking zijn van wat me overkwam bij die tekening van het model, waar ik tijd en ruimte kwijt raakte? Een tekening is immers tijd en ruimte!  Dionysius indachtig kun je dan een tekening zien als een allusieve neerslag van een andere wereld, die is gemaakt met de middelen van deze wereld.

Zo beschouwd kan een tekening ons niets leren over de wereld en niets over de tekenaar. Zij is stil. De kritieken naar aanleiding van Drawing Front op deze werkwijze, vanuit de verschillende invalshoeken, worden hiermee betekenisloos.

In de stilte is volgens mij zowel de schetsboekmentaliteit als de innerlijke wereld vervat. In plaats van ze uit elkaar te trekken tot tegenstellingen, worden het innerlijke en het uiterlijke geïntegreerd: Het worden vrienden en daarmee meer dan de som der delen.

 

Met vriendelijke groet, Guus Swuste

[/phone]