De markt en het spektakel

 

In mijn vorige blog schreef ik over Karl Marx, die de moderne samenleving zag als een wereld beheerst door schijn. Een schijn die kleeft aan koopwaar: massaal geproduceerd en alomtegenwoordig lijken de waren een eigen spookachtig leven te leiden, omdat niets ervan nog herinnert aan de wijze waarop zij tot stand kwamen. Marx noemt dit het ‘fetisjkarakter’ van de koopwaar.

Die fantasmagorische schijn kreeg in de loop van de twintigste eeuw een nieuwe dimensie in de vorm van een gespecialiseerde productie van beelden en verhalen: film, televisie, geïllustreerde tijdschriften, publiciteit en design. In de jaren zestig, toen de cultuurindustrie tenslotte iedere huiskamer binnendrong, werd het begrip ‘warenfetisjisme’ een van de belangrijkste uitgangspunten in het denken van Guy Debord, de schrijver van La société du spectacle, ofwel de spektakelmaatschappij. 

Debord was destijds de theoreticus en oprichter van de groep ‘Internationale Situationisten’, waar ook Asger Jorn en Constant Nieuwenhuijs zich enige tijd bij aansloten. In zijn onvolprezen boek omschrijft hij het spektakel als het moment waarop het maatschappelijk leven volkomen in beslag wordt genomen door de koopwaar. Het warenfetisjisme, aldus Debord, vindt zijn voltooiing in het spektakel; men ziet alleen nog dat en de wereld die men ziet is zijn wereld: ‘Alles wat direct werd geleefd heeft zich in een voorstelling verwijderd.’

Tegenwoordig is ook de kunst steeds meer onderdeel van het spektakel. We weten dat zij om te overleven moet functioneren als een vorm van entertainment, dat musea zich eerder richten op het binnenhalen van steeds meer bezoekers dan op iets anders. We kennen de macht van curatoren, verzamelaars, galeriehouders, museumdirecteuren, hun belangen en hun onderlinge netwerken. Het museum is verstrikt geraakt in de markt en de kunst is ingelijfd in wat bekend staat als de ‘creatieve industrie’.

Kunstwerken zijn financiële activa geworden met een cultureel cachet, schreef Sven Lütticken niet zo lang geleden in een publicatie die onder meer gaat over de ‘culturele revolutie’ van het kapitalisme. Een revolutie die weinig heel laat van de betrekkelijke autonomie die tot voor kort kenmerkend was voor sommige sociale domeinen, zoals die van de kunsten en van de wetenschappen.

Er dringt zich omtrent dit alles een urgente vraag op, en wel deze: is het mogelijk om die autonomie terug te veroveren? Kunnen wij afstand nemen van het systeem of de cultuur waar we zelf deel van zijn? Kunnen wij er iets van een andere orde tegenover stellen?

De filosoof Baudrillard, over wie ik in mijn vorige blog schreef, geloofde niet dat een dergelijke ontsnapping mogelijk is. Hij dacht dat de enige kans op bevrijding bestaat uit een sprong naar voren: het kunstwerk zou meer koopwaar moeten worden dan koopwaar. Er is geen andere uitweg, schrijft hij, dan de negatieve condities te verdiepen en steeds verdere extremen te zoeken. Een echte bevrijding kan dat natuurlijk nooit zijn: de filosoof spreekt zelfs van een fatale strategie, en de titel van zijn boek luidt Les stratégies fatales.

Baudrillard ontvouwt daarin een fascinerend maar uiterst pessimistisch wereldbeeld, waarin wij het goede niet tegenover het kwade stellen, het schone niet tegenover het lelijke, het ware niet tegenover het onware. ‘Het universum is niet dialectisch’, schrijft hij, ‘het genereert radicale tegenstellingen, geen verzoening, geen synthese.’

Les stratégies fatales is een wonderlijk boek, een boek om te lezen en herlezen, en wat men er leest is buitengewoon waar. Maar het eigenaardige van waarheid is dat er altijd een andere waarheid bestaat – daarover de volgende keer.

(wordt vervolgd) 

REACTIES

Reacties worden op prijs gesteld – mail uw bijdrage naar wimkranendonk@xs4all.nl

 

WILT U DEZE GALERIJ BLIJVEN VOLGEN ?

vul dan uw emailadres in en meld u aan –
u krijgt éénmaal per drie maanden bericht.